De jury bestond uit Dirk Sijmons ( H+N+S Landschapsarchitecten), Olof van de Wal (KEI kenniscentrum stedelijke vernieuwing), Dorte Kristensen (Atelier Pro architecten) en Henk Scholten (AAS architecten Groningen)
De jury van de Rietveldprijs ziet 2007-2009 als een periode van inlossing. Het ziet ernaar uit dat een aantal van de grote processen waarmee Utrecht in het afgelopen decennium gestart is, nu de kritische massa heeft bereikt waarop zij beoordeeld kunnen worden. Dat maakt de taak van de jury een dankbare: architectuur kan pas goed tegen het licht gehouden worden als zij in haar context kan worden beschouwd. En die context moet niet alleen letterlijk worden genomen, als de ruimtelijke omgeving van een project, maar ook overdrachtelijk, als het klimaat van het opdrachtgeverschap en de heersende maatschappelijke, economische en culturele tendensen.
Die inlossing ziet de jury met name in de grootscheepse ontwikkeling van Leidsche Rijn. Hier is het experiment met nieuwe vormen van stedelijkheid goed zichtbaar geworden, zowel binnen de kernen als in de verbinding van de kernen. Het is een interessant samenspel geworden van landschap, stedenbouw en architectuur, waarmee de voorwaarden voor het verwerven van een identiteit en sense of place ruimschoots aanwezig zijn. De wijze waarop dit in het masterplan is verwerkt en vervolgens door – bewust zeer verschillende – stedenbouwkundige supervisoren voor de afzonderlijke kernen mede is vormgegeven, verdient volgens de jury nadere studie en documentatie.
Zo ook lijkt het proces van herbestemming zichtbare resultaten af te werpen. Ontwikkelingen als de Dichterswijk en Fort Blauwkapel zijn exponenten van de transformatie die de stad ondergaat. Een bijzonder voorbeeld is de ontwikkeling van Papendorp dat door zijn ligging nabij de stad en in de oksel van de A2 evenzeer als transformatie valt te beschouwen. Hier heeft het fenomeen bedrijvenpark een bijzondere stedelijke invulling gekregen, waarin de jury mooie perspectieven ziet voor duurzame en waardevolle bedrijventerreinen. In de stedelijke vernieuwingsopgave moet de kritische massa nog bereikt worden, maar interessante richtingen en invullingen zijn ook hier aan te wijzen.
De diversiteit in de projecten die in de jaren 2007 en 2008 zijn opgeleverd is groot, en ook de verschillen in kwaliteit vallen op. Verder constateert de jury dat in deze periode nauwelijks is gekozen voor architecten van iconische naam, maar dat het accent lijkt te liggen op de keuze voor ambachtelijke kwaliteit, met een voorkeur voor bureaus binnen de regio.
Binnen de oogst ziet de jury ontwikkelingen die sterk bijdragen aan de specifiek Utrechtse identiteit, en er wellicht zelfs uit voortkomen. Deze komen voor op het schaalniveau van de stad, de buurt en het gebouw. Het gaat om de hoofdstroom van de tempowisselingen en de wijze waarop die zich in architectuur en stedenbouw vertaalt, de stroom van wat de jury noemt de microstedenbouw en die van het ‘handwerk’, materiaalgebruik en detaillering.
Zoals iedere stad toont Utrecht zich anders aan de voorbijganger dan aan degene die er woont en werkt. De beleving van de stad is nu eenmaal afhankelijk van het perspectief. Bijzonder aan Utrecht is dat dit fenomeen hier zo sterk speelt. Velen kennen de stad als infrastructureel knooppunt waar zij op hoge snelheid langskomen en wat de stad een air van dynamiek verleent. Tegelijkertijd lijkt in de stad de dynamiek ook welhaast gestold te zijn en heeft tempo hier plaatsgemaakt voor temporiseren.Utrecht heeft zich in haar ruimtelijke opzet gevoegd naar deze tempoverschillen, en de oogst van de afgelopen twee jaren laat dit duidelijk zien. Zo zijn op strategische plaatsen bouwwerken gerealiseerd die zich nadrukkelijk als een ankerpunt presenteren aan het voorbijsnellend publiek. Voorbeelden hiervan zijn Westraven van Cepezed, Smarties van Architectenbureau Marlies Rohmer, de gebouwen voor de Hogeschool Utrecht van Inbo en Ector Hoogstad Architecten en, niet te vergeten, het bescheiden Simed Healthcare van DHV. Het is verleidelijk om deze gebouwen snelwegarchitectuur te noemen, maar daarmee doen we ze geen recht. Om te beginnen is de architectonische expressie maar ten dele gericht op de snelheid van voorbijgangers. Dit zijn niet de decorated sheds die in zo groten getale langs de snelweg staan, maar gebouwen die nadrukkelijk zijn verankerd in het weefsel van de stad, zowel in ruimtelijk als programmatisch opzicht. In die zin vormen zij juist een brug tussen de verschillende snelheden van netwerk en stad.
Hiertegenover staat het temporiseren, want Utrecht is ook een stad van vertraging in kleine, relatief besloten gebieden. Wat dat betreft is de manier waarop Leidsche Rijn is opgebouwd, kenmerkend. De suburbane kernen verschillen hier vooral door hun uiteenlopende interpretaties van kleinschaligheid, waarbij de tussenliggende landschappelijke overgangszones hier niet zozeer de verbinding als wel de scheiding vormen. Utrecht koestert het temporiseren als een manier om geborgenheid te bieden, zo lijkt het. Ook in de bestaande stad zijn diverse nieuwe projecten opgeleverd die dezelfde kenmerken hebben. Voorbeelden op uiteenlopende schaalniveaus zijn: Fort Blauwkapel, het woningbouwproject Onder professoren aan de prof. M. Treublaan, de Pedagogenbuurt en – met enige fantasie – de Dichterswijk.
De tweede hoofdstroom die de jury in de opgeleverde projecten onderscheidt, bevindt zich op het niveau waar stedenbouw architectuur raakt: de microstedenbouw. Voor een deel gaat het hier om het gebied dat hoort bij het gebouw, vaak in de vorm van wat wel encroachment zone wordt genoemd, voor een ander deel gaat het over de publieke ruimte waaraan het gebouw grenst. Juist daar, in de overgangen tussen het gebouw en de straat, tussen de private en de publieke ruimte, is voor de gebruiker veel waarde te behalen. De wijze waarop die overgangen zijn gerealiseerd, betekent veel voor de beleving van het gebouw of complex. Het is onder andere hier dat de kwaliteit en het vakmanschap van zowel ontwerper als opdrachtgever zich manifesteren.
Interessant is dat de discussie die dit binnen de jury opleverde niet ging over stijlkwesties. Hoewel de recente bouwproductie in Leidsche Rijn ruimschoots aanleiding geeft tot het kennelijk nog niet versleten debat over modernisme versus traditionalisme, loopt het vakmanschap in de behandeling van de tussenzones hier dwars doorheen. Het eerder genoemde Onder professoren, volop modern, maakt intelligent gebruik van de beschutte ligging ten opzichte van de straat, terwijl Waterwijk ’t Zand, het meer traditionalistische project van Skala Architecten in Leidsche Rijn, op een slimme manier de veranda’s inzet. De Pedagogenbuurt is als geheel op te vatten als een vorm van microstedenbouw, maar hier is de jury meer te spreken over de gebouwde volumes, de parkeeroplossing en de inrichting van de openbare ruimte voor het langzame verkeer dan over de aansluiting van die woningen op dat openbare gebied.
Verheugend vindt de jury dat deze microstedenbouwkundige benadering niet alleen in de woongebieden terug te vinden is, maar ook in een bedrijvenpark als Papendorp. Hier levert het inbedden van de gebouwen in een golvend landschap waarin het halfverdiepte parkeren is ondergebracht, een veel plezieriger overgangszone op dan de krans van auto’s die doorgaans om de gebouwen heen ligt.
Er zijn echter ook woongebieden waar deze aandacht voor het overgangsgebied niet terug te vinden is, of zich slechts op een deel van het gebied heeft gericht. Het is vooral jammer dat dit in een kwetsbare wijk als Overvecht gebeurt, zoals bij het project aan de Yavaridreef van Theo Verburg, waar zowel in de schaal als in de aansluiting op de woonomgeving de microstedenbouwkundige opgave gemist is. Opmerkelijk vond de jury de inbedding van de Brede School van VMX in Vleuterwijde (Leidsche Rijn). Deze school heeft aan slechts een zijde voldoende ruimte gekregen ten opzichte van de omliggende bebouwing om de schaal en opmerkelijke kleurkeuze op te kunnen nemen. Niet geheel toevallig is de bebouwing aan die zijde gerealiseerd door hetzelfde architectenbureau. Vergelijkbaar is de verbazing van de jury over een oplossing die door Marlies Rohmer gekozen is. Haar studentenflat kent echte contrasten als het om de vormgeving van de collectieve en publieke ruimtes gaat. Het heeft een fenomenale entree, een slimme oplossing voor de fietsberging en een collectief dakterras dat bijna verleidt om je weer als student in te schrijven. Daarentegen suggereert een hap uit het gebouw een binnenplaats die slechts met veel extra ingrepen als ontmoetingsplaats kan werken: het is nu voornamelijk een tochtgat.
Op het niveau van het gebouwde ten slotte, ziet de jury dat de projecten in zorgvuldigheid, detaillering en materiaalgebruik sterk uiteenlopen. Daarbij is opmerkelijk dat deze verschillen in grote lijnen per gebied zijn aan te wijzen. Wat dit betreft is de jury vooral te spreken over de projecten die in de bestaande stad gerealiseerd zijn, over de zorgvuldigheid en de liefde waarmee bijvoorbeeld Westraven is opgepakt, of de Faculteit Natuur en Techniek van de HU van Inbo en parkeergarage de Cope van JHK Architecten. Leidsche Rijn laat slechts een paar projecten zien waarvan het vakmanschap en de liefde voor het product vergelijkbaar zijn, waarbij het project Langerak 6-11 een bijzondere vermelding verdient. Voor het overige valt daar de kwaliteit van de productie op dit vlak tegen.
Zoals altijd zijn er trends in materialen, die te pas en te onpas gebruikt worden. Zo dringt het gebruik van glas met print zich in deze periode sterk op. De jury vraagt zich in veel gevallen af wat de functionele of esthetische meerwaarde ervan is; af en toe lijkt de keuze bepaald te worden door het motto ‘het kan dus het moet’. De jury maakt zich echter meer zorgen over het veelvuldige gebruik van synthetische gevelbekleding, met name in Leidsche Rijn. Hiermee wordt de suggestie gewekt van natuurlijke materialen die echter bij nadere inspectie geen stand houdt, terwijl de onzorgvuldige behandeling van het materiaal doet vrezen voor de duurzaamheid. Kort na oplevering is er nog weinig aan de hand, maar de verwachting is dat de gevelbekleding vrij snel een verlopen uitstraling zal krijgen. Wat de jury met name stoort, is dat het hier veelal gaat om woningen van eigenaar-bewoners die zonder dat zij daar weet van hebben worden opgescheept met een ‘verborgen’ last voor het onderhoud. Dit zal binnen enkele jaren de ruimtelijke kwaliteit van deze gebieden aantasten.
De jury heeft grote waardering voor de zorgvuldigheid in Langerak 6-11 (is het toeval dat dit om een ontwikkeling van een woningcorporatie gaat?). Bij een aantal andere projecten lijkt vooral sprake te zijn van productiedwang – de jury vermoedt dat enkele van de gerealiseerde gebouwen niet in de portfolio’s van architecten zullen worden opgenomen. Met name hierin ziet de jury het verschil tussen de bestaande en de nieuwe stad.