Ton Schaap (voorzitter) Stedenbouwkundige, werkzaam voor de gemeente Amsterdam en Stadsstedenbouwer van Enschede, André Kempe Hoofdarchitect van Atelier Kempe Thill, Wilfried van Winden Architect en directeur van Molenaar en Van Winden architecten, Marieke Hillen Architectuur historicus en redacteur bij De Architect
Tijdens drie dagen rondkijken in Utrecht heeft in de hoofden van de jury een optimistisch beeld van het nieuwe Utrecht postgevat. Utrecht is een stad die zich stevig heeft gepositioneerd in de Randstad en grootstedelijke ambities toont. Grote ruimtelijke projecten die in het laatste decennium van de vorige eeuw zijn ingezet als antwoord op de verstedelijkingsopgave waar de stad zich voor zag gesteld, worden nu één voor één opgeleverd en dragen bij aan de versterking van deze positie. En uit al deze bouwnijverheid doemt langzamerhand een beeld van het toekomstige Utrecht op.
Het belangrijkste stuk dat ontbreekt om de puzzel te complementeren, is de verbinding tussen het oude en nieuwe Utrecht. Met de ontwikkeling van Leidsche Rijn is Utrecht haar voormalige grenzen - het Amsterdam Rijnkanaal en de A2 - overgestoken. Het gevolg is dat deze twee infrastructuren van stadsrand naar binnenstedelijke elementen moeten worden getransformeerd. Tot nu toe vormen zij echter een niet geslechte barrière tussen de oude en nieuwe stad. Pas nu de eerste serieuze aanzetten voor het dichten van deze gigantische kloof zichtbaar worden, is duidelijk hoe Leidsche Rijn de weegschaal in Utrecht naar het westen doet doorslaan.
Het afgelopen jaar is ook de Utrechtboog opgeleverd. Hiermee heeft Utrecht net als de andere drie steden een rechtstreekse verbinding met de nationale luchthaven Schiphol. Verder is de verdubbeling van de sporen richting Den Haag en Rotterdam een eind op streek en heeft Leidsche Rijn alvast een halte langs deze lijn gekregen. De grootstedelijke ambities blijken ook uit de Hoogbouwvisie uit 2005, die als aanvulling op de Utrechtse Structuurvisie is verschenen. Hierin wijkt Utrecht voor het eerst af van het dogma dat in de stad niet hoger mag worden gebouwd dan de Dom. Het is duidelijk dat Utrecht op zoek is naar haar eigen stedelijke kwaliteiten en haar rol in het Randstedelijke conglomeraat. Om haar stem in Randstedelijk overleg kracht bij te zetten, heeft zij zich met omliggende gemeenten als Hilversum en Amersfoort verenigd in de zogenoemde NV Utrecht. Dit verband is gericht op een integrale ruimtelijke-economische samenwerking in de noordvleugel van de provincie Utrecht.
De Uithof vormt het contragewicht voor de stedelijke ontwikkeling aan de westzijde van Utrecht. Het is een enclave in het oosten van de stad, waar verder juist het kleinschalige Utrecht wordt behouden. In de Uithof mag wel hoog worden gebouwd en wordt ingezet op grootstedelijke ontwikkeling. In de Structuurvisie, die het ontwikkelingsperspectief van de stad tot 2030 schetst, wordt verder nog het masterplan voor het stationsgebied genoemd als een andere belangrijke opgave voor het versterken van de stedelijke dynamiek. Maar het zwaartepunt van het nieuwe grootstedelijke Utrecht wordt toch de Centrumzone – het gebied parallel aan de A2 en het Amsterdam Rijnkanaal - tussen de oude binnenstad en centrum Leidsche Rijn. In dit gebied mag de meeste hoogbouw worden gerealiseerd, waarbij op sommige plekken geen enkele beperking aan de hoogbouw is opgelegd. Deze uitdaging is met beide handen door markt aangegrepen. Zij hebben in dit gebied een 262 meter hoge toren voorgesteld. Deze Belle van Zuylen moet niet alleen de hoogste toren van Nederland, maar ook de hoogste van Europa worden. Het project past bij de ambitie van de gemeente Utrecht om zichzelf internationaal op de kaart te zetten. Maar de vraag is of een dergelijk ambitieuze hoogbouw op deze plek gerechtvaardigd is en zal bijdragen aan een duurzame ontwikkeling van de stad. Toch waren het niet de nog in het verschiet liggende projecten als bijvoorbeeld de Belle van Zuylen die de gesprekken van de jury bepaalden, maar juist de vraag hoe de gerealiseerde projecten van de bouwjaren 2005 en 2006 hebben bijgedragen aan een duurzame ontwikkeling van de stad Utrecht.
Duurzaam ontwikkelen is op dit moment in bijna elke vakdiscipline een richtinggevend principe. Ook in de bouwwereld, die relatief veel bijdraagt aan de problematiek van klimaatverandering, CO2 uitstoot en uitputting van natuurlijk hulpbronnen, wordt in toenemende mate de verantwoordelijkheid voor een duurzame ontwikkeling gevoeld én genomen. Nochtans is de visie op de problematiek beperkt en wordt het veelal als een technische opgave opgevat. De vragen zijn dan bijvoorbeeld hoe gebouwen energiezuiniger kunnen worden gemaakt, of de epc-norm naar beneden toe moet worden bijgesteld en welke materialen mogen worden toegepast. Tijdens de beoordeling van de jury heeft duurzaamheid in deze technische betekenis geen rol van betekenis gespeeld.
In de statuten van de Stichting Rietveldprijs valt het woord duurzaamheid helemaal niet. Niet in een technische, maar ook niet in een culturele betekenis. Misschien komt dit wel omdat Rietveld als naamgevend architect voor de prijs zijn gebouwen nadrukkelijk niet voor de eeuwigheid ontwierp, maar een functionalistische kijk op zijn gebouwen en hun gebruiksduur had. Een opstelling die destijds misschien houdbaar was, maar met de kennis van nu niet langer stand houdt. Grappig is in deze context te weten dat het Rietveldhuis het enige Nederlandse woonhuis op de werelderfgoedlijst is. Dit geeft aan dat duurzaamheid in culturele betekenis een moeilijk ‘ontwerpbaar’ begrip is.
De Stichting Rietveldprijs vraagt om een voorbeeldig project dat bijdraagt aan de beleving en bruikbaarheid van de stad. De winnaar moet de kwaliteit van Utrechts gebouwde omgeving in de breedst mogelijke opvatting op een inspirerende wijze beïnvloeden. De jury heeft dit opgevat als een vraag naar duurzaamheid in een culturele betekenis. Zij hanteerde het begrip zoals dit onder andere door de Spaanse architectuurcriticus Jaime Salazar is gedefinieerd. Salazar spreekt over de continuïteit van de bouwwerken, over de lange duur van aanwezigheid en hun participatie in de stedelijke omgeving. Hij heeft het over gebouwen die zich kunnen aanpassen, waardoor zij langer bestaansrecht hebben. Hij heeft het niet alleen over gebouwen, maar projecteert zijn idee op stedelijk of zelfs regionale ontwikkeling. De jury interpreteerde de vraag van de Stichting als een zoektocht naar – zoals Salazar dit noemt – ‘een meesterwerk van houdbaarheid’.
De jurering voor de Rietveldprijs is er één van de lange adem. Al in mei 2007 is de jury aan haar taak begonnen. De Stichting Rietveldprijs nodigde haar uit om voor de achtste maal de bouwproductie in Utrecht te beoordelen. Hoewel de prijs aan het begin van het jaar 2008 wordt uitgereikt, ging het bij deze jurering om bouwwerken die in de jaren 2005 en 2006 zijn gerealiseerd. De bouwproductie van 2007 heeft nog niet meegedongen en wordt in een volgende editie beoordeeld. De projecten die deze editie door de Stichting Rietveldprijs zijn voorgedragen, liepen net als in de voorgaande edities sterk uiteen. Ditmaal van een herinrichting van een park tot een warmtekrachtcentrale voor de universiteit; van een kunstpaviljoen in Leidsche Rijn tot een opvang voor alcoholverslaafden in de wijk Ondiep. Deze uiteenlopende verzameling maakt het de jury niet makkelijk. Het dwingt haar stelling te nemen en zich uit te spreken over de waarde van de hedendaagse bouwproductie. Wat is in deze optiek duurzame en daarmee voor de stad waardevolle architectuur? Welk project gaat voorbij aan de waan van de dag? Welk gebouw geeft blijk van tijdloosheid en wekt de verwachting dat het langer houdbaar is dan de afschrijvingstermijn van de ontwikkelaar?
Op de eerste dag van de jurering wordt rondgelopen in de binnenstad. Het bezoek aan het Bolwerk van AWG Architecten, een appartementencomplex in park van Zocher langs de Singel, verleidt voorzitter Ton Schaap tot de uitspraak: ‘als ik in Utrecht moest wonen, dan het liefst hier.’ Het volgende bezoek begint in het Informatiecentrum Leidsche Rijn. Hier wordt de foto-impressie van de bouwproductie 2005 en 2006 doorgenomen. Omdat de informatie summier is en de jury geen projecten buiten de boot wil laten vallen die bij nader inzien de moeite waard zouden zijn, wordt besloten het kaf niet al te rigoureus van het koren te scheiden. Het levert een lange lijst op, die vervolgens consequent is afgewerkt.
De rest van de dag spendeert de jury in Leidsche Rijn. Bij drie woningbouwprojecten staat de jury langer stil. De Woerd van Mulleners+Mulleners Architecten is een goede representant van het historiserend bouwen. Zowel op het stedenbouwkundig niveau als op het niveau van het architectonisch detail is zichtbaar dat het concept consequent en met zorg is uitgewerkt.
Het project Reykjavik in Vleuterweide van VMX Architects is een prettig afwijkende verschijning tussen alle jaren dertig replica’s. Een jong stel toont ons de intelligente woningplattegrond, die een aangename brede woonverdieping op de bovenste verdieping oplevert. De kennelachtige buitenruimtes worden minder gewaardeerd.
Van de laagbouw van De Boemerang in Terwijde van SeARCH had de jury meer verwacht. Het autoloze gebied benauwt door zijn verkaveling, inrichting en ommuring. De hoogbouw wordt beter gewaardeerd. Het binnendek heeft allure. Wel vraagt de jury zich af of het aangenaam wonen is aan een dergelijk dek voor collectief gebruik. Brede school Forum ’t Zand van Venhoeven CS Architecten stemt de jury kinderlijk optimistisch. Het als ruimteschip ogende object is wezensvreemd in de context van Vinex. Naar schoolgaan lijkt op deze manier het begin van een spannend avontuur.
De geluidswal met opgeslokte autoshowroom, het cockpitgebouw van ONL, biedt een spectaculair uitzicht op de A2. De jury ervaart de bouwmethode als een passende uitwerking van het architectonisch concept, maar aan de Leidsche Rijnzijde en in het interieur is dit minder consequent uitgewerkt dan de jury had gehoopt. De dag wordt afgesloten met een bezoek aan het bedrijventerrein Papendorp, dat met name door zijn stedenbouwkundige kwaliteiten indruk maakt. Van de informele menging van bedrijven met volkstuinen had de jury meer verwacht.
De derde dag van de jurering wordt besteed aan enkele projecten rond het centrum en in de buitenwijken. Het bezoek begint in Parkhaven – een nieuwe wijk op het voormalige veilingterrein achter de Croeselaan. Hier springt met name de kleinschalige bedrijfslocatie de U-trechters door NL-D Architects eruit. Het is een sympathiek project, waarvan de entrees met zorg in de publieke ruimte zijn geplaatst. De jury vindt het jammer dat zij het interieur van de trechters niet heeft kunnen bekijken.
Daarna wordt hostel Hogelanden, een opvang voor alcoholverslaafden in de wijk Ondiep, bezocht. Naast de architectuur maakt de sociale component van dit project indruk: de mens en zijn verslaving worden hier getolereerd. Naar aanleiding van dit bezoekt ontspint zich een gesprek of een dergelijk project is ingegeven door de wens om deze mensen een menswaardiger bestaan te bieden of dat de maatschappij dergelijke mensen niet langer in haar straatbeeld tolereert.
Het plan Irenepark in de Utrechtse wijk Zuilen van de hand van Gulikers Architecten, is het enige resultaat van de herstructurering van de naoorlogse woonwijken dat de jury bezichtigt. Opmerkelijk omdat deze opgave in de Structuurvisie naast Leidsche Rijn en de vernieuwing van het Stationsgebied als belangrijk voor Utrecht wordt genoemd. Het ontbreken van resultaten van de herstructurering valt ook op, omdat in andere steden al veel meer zichtbaar is. Het project van Gulikers stemt echter optimistisch.
De tweede helft van de dag is doorgebracht in de Uithof, goed voor een drietal projecten. DOK Architecten heeft een verrassend poëtische en sculpturale invulling gegeven aan zoiets banaals als een warmtekrachtkoppelingcentrale. Wel merkt de jury op dat het comfort van de werkplek voor de bemanning van de centrale aan dit krachtige beeld is opgeofferd. Het project van Köther | Salman | Koedijk | Architecten is van een ongekende kwaliteit voor studentenhuisvesting. Het is duidelijk dat de opdrachtgever een duurzame vormgeving inzet als middel tegen een te snelle teloorgang. Achter de neutrale gevel van het A.A. Hijmans van den Berghgebouw van Erick van Egeraat associated architects gaat een op het eerste gezicht zeer overdadig interieur schuil. In tweede instantie blijkt de ruimtelijke structuur echter verrassend helder en overtuigt deze de jury van de ware aard van het project.
Na deze drie bezoeken aan Utrecht is het tijd om de balans op te maken. De eerste selectie is eenvoudig gemaakt. Nadat iedereen een lijst met favorieten heeft opgesteld, blijken de meningen niet ver uiteen te liggen. Er worden twaalf projecten geselecteerd, hier boven beschreven, waarvan de jury overtuigd is dat zij de gebouwde omgeving van Utrecht werkelijk verrijken. Maar na tweeëneenhalve dag van dit soort ‘goede’ projecten kijken, stelt de jury zich de vraag op wat de werkelijke betekenis van architectuur moet zijn en wat vanuit dit perspectief de waarde van de Utrechtse architectuurproductie is en in de ogen van de jury zou moeten zijn. Wat is de werkelijke opgave van architectuur en stedenbouw? Mag zij anekdotisch zijn? Mag de architect zijn eigen fantasieën opdringen of moet hij meegaan in de wensen en dromen van de hedendaagse gebruiker. Moet architectuur emoties opwekken en wat is in deze vals en wat is waar? Of moet architectuur slechts een omhulling zijn met een terughoudend en tijdloos karakter? Wat is een duurzame materialisatie en detaillering?
Weer komt de vraag op: hoe duurzaam is het gebouwde van de afgelopen twee jaar? Wat is voor de stad Utrecht en haar ambities waardevolle architectuur? De Stichting Rietveldprijs vraag een project dat intrinsieke kwaliteiten heeft, maar dat ook op een positieve wijze bijdraagt aan de beleving en de bruikbaarheid van de stad. Het gaat volgens de jury dan juist niet om groot, groter of nog meer spektakel. Het gaat om een geconcentreerde reactie op een opgave in zijn ruimtelijke, culturele en historische context. De gelaagdheid of de complexiteit van het gegeven antwoord is van belang, maar ook de vraag hoe architectonische middelen zijn ingezet. Is er samenhang tussen de architectuur en de techniek? En wat is de kracht van het uiteindelijke beeld - het poëtisch moment?
Vanuit dit perspectief is de jury ambivalent over de bouwproductie van de afgelopen twee jaar in Utrecht. Het totale beeld stelt gerust. Zij is onder de indruk van de hoge kwaliteit van de bouwproductie over de hele linie, maar de gedegenheid van de afzonderlijke projecten sust de beschouwer ook in slaap. Er mist wat. De opbrengst alarmeert niet, het provoceert niet, het komt allemaal wel goed met Utrecht. De jury miste dat ene project waarover zij zich unaniem lovend uit kon spreken. Dat project dat nu al een culturele betekenis heeft en de potentie van duurzaamheid. Een werkelijke kandidaat voor de werelderfgoedlijst zit er volgens de jury niet bij.
Teruglezend in de juryrapporten van de Rietveldprijs valt op dat de nadruk al sinds het instellen van de prijs op de twee grote bouwopgaven aan de rand van Utrecht ligt: Leidsche Rijn en Uithof. Ook tijdens deze editie blijken die twee gebieden nog steeds de belangrijkste leveranciers van projecten voor de Rietveldprijs. Waar de vorige jury zich positief over de ontwikkeling van Leidsche Rijn heeft uitgelaten en ook in de pers de Vinex de afgelopen tijd is bejubeld, was deze jury minder onder de indruk van dit nieuwe suburbane deel van Utrecht. Gesitueerd tussen twee autosnelwegen en nochtans slecht bereikbaar met het openbaar vervoer valt het op dat de ontsluiting van dit stadsdeel voor auto’s niet helder is en daardoor zijn structurerende kracht mist. De prominente plek die de auto in de geluidswal en Cockpit van ONL [Oosterhuis_Lénárd] heeft gekregen, lijkt daardoor een bijna cynisch commentaar op de achterliggende wijk.
Na een dag Leidsche Rijn doemt het beroemde beeld op van de oneindige zee van middelmatige woningbouw, zoals West 8 die in de arcade van het NAi neerzette. Ondanks de geforceerd gezochte differentiatie is de monotonie van het gebouwde in Leidsche Rijn oorverdovend. Misschien gaat ook hier de kunst voor de troepen uit. Ondertussen heeft de kunststichting Beyond hier al de Paper Dome van Shigeru Ban naar toegehaald en is het kunstpaviljoen van Stanley Brouwn/Bertus Mulder door toedoen van de stichting gerealiseerd. Gedwongen door grootse nieuwbouwplannen, heeft ook de gevestigde kunst – muziekcentrum Vredenburg – de stap naar het nieuwe Utrecht gezet. Een blik op de Uithof biedt hoop. Waar ook de Uithof zijn jonge jaren als monofunctioneel universiteitsterrein sleet, en ook Rem Koolhaas en Art Zaaijer nog voornamelijk inzetten op de Uithof als een werkwijk, wordt het nu getransformeerd tot een campus met een heus centrum, waar wordt gewoond, gestudeerd, gesport en gefeest. Maar in hoeverre is de Uithof nu leefbaar? Is het inbrengen van de nieuwe functies daarvoor voldoende of moet, zoals Paul van Beek dat in zijn plannen voorstelt, hard worden gewerkt aan de publieke ruimte en de verbinding met de oude stad? En op welke manier dragen de afzonderlijke projecten daar aan bij?
Nadat de architecten hun projecten afzonderlijk hadden gepresenteerd op een nazomermiddag in september, mochten er nog slechts vier genomineerd worden. Nu waren er meer grensgevallen. Projecten die net niet zijn genomineerd, maar door één of twee juryleden bijzonder werden gewaardeerd. De Warmtekrachtcentrale wordt hierbij speciaal genoemd, omdat de jury meent dat dit werk een grote poëtische kracht heeft. De bijzondere aandacht die aan de architectonische vorm van een dergelijk utilitair bouwwerk wordt door de jury gewaardeerd. De opgave mist echter de complexiteit van de andere genomineerden, waardoor een vergelijking al bij voorbaat mank gaat.
Het appartementencomplex het Bolwerk van AWG aan de rand van het Utrechts centrum was het eerste project dat de jury bezocht. Het legde de lat voor de andere projecten direct hoog. Het Bolwerk is de uitkomst van een proces tussen een zeer bevlogen opdrachtgever en een architect die al in zijn eerdere werk heeft laten zien te kunnen ontwerpen met een groot gevoel voor context zonder anekdotisch te worden. Op de plek van het huidige Bolwerk stond sinds de Tweede Wereldoorlog een bunker vermomd als boerderij. De keuze om deze historisch bijzondere plek, midden in de stad, te benutten voor een aanvulling op de bestaande woningvoorraad, betekent een absolute verrijking van de stad. De contouren van de voormalige bunker zijn overgenomen in het bouwblok. Door de bastionachtige verschijning wordt gerefereerd aan de bunker. Het lichte binnenhof vormt hiermee een mooi contrast en levert voor de bewoners een aangename gezamenlijke binnentuin op. De afzonderlijke appartementen hebben een bijna on-Nederlandse allure en zijn ruimtelijk interessant, waardoor de nadelen van het wonen in een appartement niet meer lijken te bestaan of in ieder geval ruimschoots worden gecompenseerd. Alles beschouwend vond de jury het een project dat eigentijds, maar ook tijdloos is. De architect heeft zich terughoudend opgesteld in een gevoelige context. Het is daardoor misschien een tikkeltje te correct. Zeker met een opdrachtgever als Edwin Oostmeijer had het gedurfder gemogen en gekund.
De geluidswal en de Cockpit van ONL [Oosterhuis_Lénárd] is een project dat de jury zeer waardevol acht vanwege zijn omgang met een belangrijk verschijnsel van deze tijd: de autosnelweg. ONL plaatst de geluidswal in een cultureel perspectief, waar het tot nu toe slechts een puur functionele betekenis had. Het project spreekt tot de verbeelding. Bij het passeren van deze geluidswal krijgt de jury beelden van het toekomstige Nederland dat zich langs de snelweg ontwikkelt. De architectonische benadering lijkt hier bijzonder op zijn plek en de seriematige productiewijze door middel van file to factory past goed bij dit architectonisch concept. Wel merkt de jury op dat de eenheid van architectuur en constructie slechts aan de snelwegzijde een mooie synthese oplevert. Aan de achterkant is de consistentie tussen opgave, architectuur en constructie veel minder. Hier heerst de kwaliteit van een gemiddeld bedrijfsgebouw. Deze brute halvering maakt het gebouw minder gelaagd dan de jury had gehoopt en ook het interieur is minder sterk dan het gebaar langs de snelweg suggereert. Ook zijn de profielen van de constructie wat dikker uitgevallen dan het oog dat zou willen. Toch geeft de eenvoud waarmee het concept is uitgevoerd dit zeer eigentijdse gebouw een aantrekkelijke tijdloosheid.
De brede school Forum ’t Zand van VenhoevenCS stemde de jury bijzonder vrolijk. Het is een eigenzinnig object in een wijk, die in de ogen van de jury verder in al haar aspecten doorsnee Vinex is. Het object oogt als een ruimteschip en spreekt tot de verbeelding. Dit is een schoolgebouw waaraan elk kind met plezier zal terugdenken. Het verleent de scholen en andere gebruikers een identiteit en biedt de wijk een icoon. Op plezierige wijze heeft Venhoeven het informele karakter van de plek behouden en de historisch schoorstenen in zijn ontwerp geïntegreerd. De schoolpleinen op het dak intensiveren het ruimtegebruik en brengt bovendien variëteit in speelplekken met zich mee. Het ruimteschip is overtuigend gematerialiseerd. De gevelpanelen zijn allemaal uniek, maar konden door middel van file to factory toch seriematig worden geproduceerd.
Het interieur is volgens de jury minder consistent uitgewerkt. Het gebouw mist een heldere ruimtelijke opbouw. Deze structurerende kracht is volgens een deel van de jury juist voor kinderen in een dergelijk groot gebouw belangrijk, terwijl anderen zich afvroegen of het juist niet prettig is om een gebouw te hebben waarin je kan (ver)dwalen. Daarnaast waardeert de jury de architect in zijn liefde voor het detail, maar vindt zij wel dat hij in deze te ver is doorgeschoten. Alsof hij elk idee heeft willen uitwerken. Verder is het jammer dat de gebruikers nog niet in staat zijn geweest de wintertuin tot een bijzondere gemeenschappelijke ruimte te maken. De jury heeft grote waardering voor de wijze waarop Venhoeven deze maatschappelijk belangrijke, maar financieel ondergewaardeerde opgave vorm heeft gegeven.
Het A.A. Hijmans van den Berghgebouw geeft het Opleidingscentrum van het UMC een adres aan de Universiteitsweg en de Heidelberglaan, de centrale as van de Uithof. De jury ziet het als een commentaar op de gegeven situatie, de architect legt deze bloot en heeft niets gedaan om deze te verfraaien. Het gebouw oogt als een industriële hal aan een grote straat, waarin de entree botweg op de meest voor de hand liggende plaats is gelegd. Maar juist door deze voor de handliggende optie te kiezen, wordt dit een sterk gebaar. Op de begane grond is de glazen gevel simpelweg tot maaiveldniveau doorgetrokken. In het interieur verhult de barokke inrichting in eerste instantie de ruimtelijke structuur. Toch blijkt deze juist opvallend helder. Hierin schuilt volgens de jury ook de kracht van het project. De robuuste ruimtelijk opzet biedt ruimte voor verandering zonder dat het gebouw in zijn wezen wordt aangetast.
Hoewel de jury de eerste twee genomineerde projecten waardeerde, haalden zij toch niet de finale. De jury heeft voor haar eindoordeel nogmaals een bezoek gebracht aan het A.A. Hijmans van den Berghgebouw en de brede school Forum ’t Zand. De heldere sterke structuur van het A.A. Hijmans van den Berghgebouw gebouw wordt gewaardeerd. Deze overtuigt de jury. Hoewel het interieur in eerste instantie zeer modieus lijkt, onttrekt het gebouw zich toch aan de waan van de dag. De school van VenhoevenCS lijkt zich juist in zijn vormgeving niks aan te trekken van enige architectuurstijl. Hier twijfelt de jury meer over de helderheid van de ruimtelijke structuur.
Al met al kwam de jury er niet uit welk project zij hoger moest waarderen en het cliché van appels en peren deed zijn intrede. Niet alleen de opgaven zijn van zeer verschillende aard, ook de budgetten zijn van geheel andere orde. Was het dan mogelijk om te spreken van een uitzonderlijke appel of een heel bijzondere peer? De jury denkt van wel, maar niet van een peer of een appel die de andere soort overtreft en overbodig maakt. De jury vindt beide gebouwen op hun eigen wijze smaakvol en is er ook van overtuigd dat beide dit zullen blijven elk vanwege zijn eigen specifieke kwaliteiten. Zij draagt daarom Brede School Forum ’t Zand en het A.A. Hijmans Van den Bergh gebouw gezamenlijk voor als winnaars van de Rietveldprijs 2007.
Voor de eerste keer dit jaar is de bekendmaking van de genomineerde projecten van de Rietveldprijs niet gekoppeld aan de Dag van de Architectuur, maar als onderdeel van het satellietprogramma van Utrecht Manifest. Deze biënnale vindt dit jaar voor de tweede maal plaats. Tijdens de eerste editie stelde de organisatie optimistisch dat zij duurzame vormgeving wilde laten zien: “Duurzaam design, bedoelde zij zowel in materiaal als in esthetiek. Geen goedkoop geproduceerde hippigheid maar tijdloos design dat lang meegaat en nooit verveelt.” De jury herkende in deze omschrijving haar eigen zoektocht.
W. Galema, P. Vollaard red., Rotterdam herzien. Dertig architectuur 1977-2007 p52 -63. Ook maakte het online cultuurstation Antenne Rotterdam een videoverslag van de bijeenkomst, sprak met Kempe en Thill en bezocht enige gebouwen van de keuringslijst. www.antennetv.nl/read/movie_item_nieuw/id/90536/titel/reviewing-rotterdam-deel-1 www.antennetv.nl/read/movie_item_nieuw/id/90535/titel/reviewing-rotterdam-deel-2
Vredenburg Leidsche Rijn is aan het einde van 2007 geopend.