Mariet Schoenmakers (voorzitter), Stedenbouwkundige, directeur Ontwikkelingsplanologie AM Wonen, Kees van der Hoeven, Architect, voorzitter BNA, Thomas Kemme, Architect, directeur Thomas Kemme architectenbureau, Janny Rodermond, Architectuurpublicist en Directeur Stimuleringsfonds voor Architectuur.
Groot, maar toch klein. Zo wordt Utrecht omschreven in de Structuurvisie Utrecht 2015-2030 die in juli 2004 is vastgesteld. Deze vier simpele woorden zeggen heel veel. Utrecht behoort tot de vier grootste steden van Nederland. Maar afgaande op de media-aandacht gebeurt er niet veel meer dan in een provinciestad. De centrale ligging van Utrecht op de overgang van de randstedelijke Delta naar de zandgebieden van Oost-Nederland, bepaalt haar positie binnen een knooppunt van infrastructurele netwerken. Daardoor profiteert de uitdijende regio van een vanzelfsprekende internationale dynamiek. Tegelijk fragmenteren deze netwerken de stad in enclaves die op zichzelf redelijk overzichtelijk zijn.
Utrecht heeft de grootste universiteit in ons land, maar de meeste gebouwen liggen in een enclave, buiten het gezichtsveld van de binnenstad. In de structuurvisie komt de universiteit, die de regie voert over haar eigen nieuwbouw, nauwelijks aan de orde. Met de uitbreiding van het grondgebied in 2001 zijn de gemeente Vleuten-De Meern, delen van Nieuwegein en van Maarssen bij de stad getrokken, zodat het grondgebied welhaast verdubbeld is. Maar nergens krijgt de stad iets van een hedendaagse metropolitaanse allure. De hoogte van de eeuwenoude Domtoren is nog steeds het oriÎntatiepunt. Het huidige kaartbeeld toont een losse aaneenschakeling van stedelijke gebieden, doorsneden door grote infrastructurele werken en ingebed in een rijk gedifferentieerd landschap.
Niet de schaalvergroting van grondgebied en infrastructuur is sturend voor de structuurvisie, maar de reactie daarop. Utrecht zet in op het bewaken en verstevigen van de kwaliteit van de dagelijkse leef- en ontmoetingsruimte. De 28 miljoen bezoekers per jaar vinden deze vooral in de historische binnenstad, maar de kleine schaal is ook karakteristiek voor veel woonwijken. Van de vier grote steden heeft Utrecht verreweg de meeste eengezinswoningen.
Ook bij de recente nieuwbouw in Leidsche Rijn is dit uiteenleggen van de stad in overzichtelijke fragmenten herkenbaar. De stad groeit, maar men gaat er niet van uit dat de belevingswereld van de burgers zich zal hechten aan de hele agglomeratie. Het mentale referentiekader blijft de kleinschalige, oude stad. In de planning is de opvatting dat de aaneenschakeling van fragmenten niet langer onder een centrale regie kunnen vallen dominant. De gebieden variÎren immers qua ouderdom, functie, dynamiek en eigendomssituatie. Door zoveel mogelijk ruimte te bieden aan particuliere initiatieven, ontstaan mogelijkheden om in deze lappendeken de stedelijke enclaves nog verder te accentueren. Daardoor zal de fragmentatie binnen de stadsregio verder doorzetten, totdat de stad nauwelijks nog als zodanig herkenbaar is.
In de dynamiek van globale ontwikkelingen vertrouwt de stad op haar gunstige ligging. Een competitieve strategie lijkt nauwelijks voorhanden. Het tweede hoofdstuk in de structuurvisie is getiteld “Wat komt er op Utrecht af?”.Groot ontstaat hier als het ware vanzelf. Dynamiek komt van buiten. Dat biedt volop de gelegenheid om vanuit de stedenbouwkundige dienst in te zoemen op enkele specifieke gebieden. De aandacht gaat voorlopig vooral uit naar Leidsche Rijn en het Stationsgebied. Centraal staat de idee dat de burgers het gevoel moeten hebben in een kleinschalige, overzichtelijke wereld te leven.
Op stedelijke schaal experimenteert de stad als het ware met de strategie die de filosoof R¸diger Safranski toeschrijft aan personen. In zijn boekje “Hoeveel globalisering verdraagt de mens?” beschrijft hij de benauwende invloed van globalisering op onze dagelijkse belevingswereld. Omdat de economische, politieke en culturele invloed van globalisering onontkoombaar is, vertonen mensen volgens hem vluchtgedrag. We doen in ons dagelijks leven alsof de buitenwereld, met alle ecologische en ethische vraagstukken, niet bestaat. Anders zou het immers onmogelijk zijn om ons op ons gemak te voelen in onze eigen leefwereld, die we zo aangenaam mogelijk proberen in te richten. Utrecht past deze strategie toe op de schaal van de stedelijke agglomeratie.
In zo’n context is het de vraag hoe de jury van de Rietveldprijs te werk moet gaan. Bij deze prijs ligt de nadruk immers op de betekenis die een object toevoegt aan de stad. Maar aan welke stad? Of beter gezegd, aan welke stedelijke enclave? En is een bijdrage aan een enclave altijd ook een bijdrage aan de stad als geheel? Kan een gebouw ook bijdragen aan de leefkwaliteit van de stad, terwijl, of juist omdat het zich losmaakt van de omringende enclave?
Bij de start van de werkzaamheden kreeg de jury een lijst met bijna tachtig projecten die in de afgelopen twee jaar opgeleverd zijn. Een kaart van Utrecht, waarop de locaties aangegeven waren, ontbrak aanvankelijk. Daardoor misten ze al bij aanvang hun ruimtelijke setting. Alleen op basis van foto’s is het immers onmogelijk om de bijdrage van een gebouw aan ‘de stad’ te beoordelen. Toen de kaart alsnog gemaakt was, bleek het werkterrein een stuk overzichtelijker te zijn. Binnen het stadslandschap van Utrecht concentreerden de meeste projecten zich in delen van Leidsche Rijn, Papendorp, de Uithof en twee binnenstedelijke woongebieden. Dan zijn er losjes verspreid over de randen van de binnenstad nog enkele interventies te vinden, vaak in de vorm van uitbreidingen en verbouwingen. Verreweg het grootste deel van de stad kent blijkbaar geen urgente ruimtelijke opgaven.
Vervolgens heeft de jury gezamenlijk, dan wel individueel, alle projecten bezocht. Er tekende zich na deze bezoeken een helder beeld af. De meest gewaardeerde projecten zijn gerealiseerd in gebieden waar op een of andere wijze een duidelijke regie gevoerd wordt: De Uithof en grote delen van Leidsche Rijn. Het denken in termen van kleinschaligheid is hierbij bepalend voor de werkwijze. De kwaliteitsbewaking richt zich op de architectenkeuze en op de wisselwerking van zijn ontwerp met de omgeving. Deze inzet vertoont overeenkomsten met de vraag naar de bijdrage van een gebouw aan de beleving en bruikbaarheid van de stad. Blijkbaar ontstaat deze niet vanzelf vanuit het individuele of particuliere initiatief.
De jury heeft in haar beoordeling vervolgens een aantal thema' s toegevoegd, die de relatie tussen gebouw en stad specificeren. Daarbij is gekozen voor thema’s die in potentie het karakter van de enclave kunnen overstijgen. Zo zijn de hechting aan het landschap en de koppeling aan de infrastructuur bij de selectie betrokken. Ook de impact van objecten op de toegankelijkheid en beleving van de publieke ruimten van de stad zijn benadrukt in de gesprekken over de projecten.
De jury is unaniem in haar waardering voor de wijze waarop het nieuwe stadsdeel Leidsche Rijn gestalte krijgt. Daarin verschilt ze van mening met de twee voorgaande jury’s. Deze bekritiseerden immers het gebrek aan verbindingen, collectieve voorzieningen en collectieve ruimten, het suburbane karakter, de monofunctionaliteit, de versnippering en de staalkaart van ‘mainstream’ architectuur.
Nu steeds meer delen bebouwd raken krijgen echter langzaam maar zeker de contouren van het stedenbouwkundige plan gestalte. Dan valt op hoe intelligent de randvoorwaarden die vooraf aan de stedenbouwkundigen zijn opgelegd, omgezet zijn in ruimtelijke kwaliteiten. Bovendien zijn deze benut om de eenzijdigheid van het woningbouwprogramma te differentiÎren. Zo is in Terwijde een baan die niet bebouwd kan worden, vanwege de onderliggende leidingen, getransformeerd in een brede, groene zone. Deze verheldert de oriÎntatie, vormt een prachtige openbare ruimte en biedt plaats aan wandel- en fietspaden. Een ander voorbeeld is het waterwingebied, een midden in de woonwijk gelegen, weidse vlakte. Bedrijventerreinen zijn niet behandeld als no go areas, maar opgenomen in de wijk, door bijvoorbeeld woonbuurten direct met een bedrijventerrein te verbinden met bruggetjes, wandel- en fietspaden. In het strategisch gelegen Papendorp is de bewerking van het landschap met de volkstuinen een verrijking voor het hele stadsdeel.
In het centrumgedeelte van Parkwijk zijn enkele fragmenten uit het vroegere landschap benut voor het differentiÎren van de sfeer: een sloot, een rij wilgen en enkele fragmenten van een boomgaard. Knap is dat juist deze vervreemde, uit hun oorspronkelijke context gelichte elementen, het nieuwe centrum een alledaagse, vertrouwde schaal geven, zonder te vluchten in nostalgie. De jury waardeert het dat in Leidsche Rijn niet alleen het autogebruik de inrichting van de infrastructuur en openbare ruimte bepaalt, maar dat het gebied, naarmate de bouw vordert, steeds meer uitnodigt tot wandelen en fietsen.
De selectie van maar liefst zeven projecten in Leidsche Rijn ziet de jury als de oogst van een zorgvuldige, continue regie die vooral herkenbaar is op het niveau van het ensemble. De regie is daarnaast gericht op het bewerkstelligen van samenhang tussen de verschillende fragmenten van de wijk en op het relateren van de wijk aan de regionale netwerken. De zorgvuldigheid waarmee de overgangen tussen private en openbare ruimte zijn behandeld, voorkomen verder een fragmentatie binnen de buurten en wijken. Er is in de verschillende woontypologieÎn gezocht naar gradaties tussen individualiteit en collectiviteit. Alleen in Vleuterweide, waar ervoor gekozen is deze regie volledig achterwege te laten, en waar geÎxperimenteerd is met zogenaamde dorpse woonvormen, ontstaat een enclave waar buitenstaanders niets te zoeken hebben. Het private leven speelt zich hier direct af op en aan de straat. Daardoor roept dit gedeelte meer associaties op met een traditionele, stadse volksbuurt, dan met een dorp waar elk huis juist beschikt over een eigen erf.
Het realiseren van voorzieningen in een stadsdeel in opbouw is een hachelijke onderneming. Hiervoor is een even aantrekkelijke als slimme oplossing gevonden. De Paper Dome, ontworpen door de Japanse architect Shigeru Ban, is oorspronkelijk als tijdelijk theater gebouwd voor een manifestatie in een andere nieuwbouwlocatie, namelijk IJburg. Nu heeft de witte koepel een tijdelijke plek gekregen temidden van de bouwactiviteiten. Dit paviljoen, geheel opgebouwd uit gerecyclede materialen, is de eerste schuilplaats voor culturele initiatieven. De Dome biedt plaats aan ongeveer 250 mensen.
Binnen het stadsdeel heeft het Deense bureau Vandkunsten opdracht gekregen om 260 woningen te bouwen. Bij deze omvang is het mogelijk om een enclave te ontwikkelen met een eigen karakter dat hier ondermeer werd ontleend aan de verweving met het nieuwe landschap. De waterpartijen dringen de woonbuurt binnen, maar grenzen niet aan de achtertuinen. De ecologische oevers zijn voor publiek toegankelijk. Binnen een eenvormig, maar niet eentonig vocabulaire is een buurt met verschillende woningtypen opgezet. Kenmerkend zijn de serres, die in afwisseling met de donker beplate gevels de aaneenschakeling van woningen een sculpturale kwaliteit verlenen.
Van een heel andere orde is het iets verderop gelegen 800 meter lange blok van DKV architecten dat de overgang van het park naar het centrumgebied markeert. Grote, ruime entreehallen vormen hier de overgang tussen stadsstraat en privÈ-woning. In de uitgekiende materialisering en in de plattegronden is de tegenstelling tussen voor- en achterkant goed benut.
Het aangrenzende centrumgebied is ontworpen door awg architecten. De vraag is of het mogelijk is om de architectuur van de voorzieningen in een nieuw stadsdeel te verbijzonderen, zonder in allerlei vormen van decorbouw te verzanden. awg koos voor het andere uiterste en componeerde een samenhangend geheel met de typologie van uiterst simpele bakstenen gebouwen met schuine daken: het clichÈ van het huis en geborgenheid. Maar door het formaat van dit bekende volume uit te vergroten en ze schijnbaar losjes bij elkaar te zetten ontstaat een flexibel ensemble, dat allerlei functies kan opnemen en tegelijk de publieke ruimte vormt. Parkeergarage, school en winkels (met dubbelhoge verdieping achter de pleinwand) staan zo eensgezind bij elkaar. Het Vlaamse bureau nam met deze uitwerking van het centrumgebied met succes afstand van het voorliggende, in hun ogen te fragmentarische, stedenbouwkundige plan.
De vroegere polder Papendorp, ingeklemd tussen woonwijken, snelwegen en kanaal, is getransformeerd in een bedrijventerrein. Uit het nieuwe landschap, ontworpen door West 8, komen de zes volumes omhoog, die samen het kantoor van Cap Gemini vormen. Het ontwerp van een gelegenheidscombinatie, bestaande uit de Architekten Cie/Frits van Dongen met Veenendaal & Partners. Het gebouwencomplex is gepositioneerd ten opzichte van de grootschalige infrastructurele netwerken en het uitzicht vanuit het gebouw op het Amsterdam-Rijnkanaal is prachtig. Intelligent is gebruik gemaakt van de twee lagen van het landschap, die samen de onderlegger vormen voor een nieuw type werklandschap. Het parkeren vindt overdekt plaats op het oorspronkelijke polderniveau, onder het nieuwe artificiÎle landschap. Lichte welvingen in het nieuwe maaiveld begeleiden de automobilist op van de snelweg naar dit terrein. Lopend van de auto naar de entree vindt de bezoeker z’n route langs patio’s en binnentuinen. Ook het plein voor de entree ligt in een kom, uitgesneden uit het nieuwe maaiveld. De routing, het entreegebied en de hal, die de verschillende kantoorvolumes sierlijk verbindt, hebben de allure van een publiek gebouw.
Op nog geen twee kilometer afstand ligt het metalen pompgebouw van Bosch Architects. De vloeiende vormentaal van het pompstation is meer dan een modieuze gril en verhaalt hier over de functie van gebouw en omgeving. Dit is een van de vele infrastructurele projecten, die in Leidsche Rijn als architectonische opgaven zijn behandeld.
Dit loont de moeite, zoals ook te zien is bij de Prins Clausbrug, ontworpen door UN Studio. Deze verbindt Papendorp met Kanaleneiland en het stadscentrum van Utrecht en is een aanwinst voor het dagelijkse stadsleven. Op een mooie zomerdag wandelen de werknemers in de lunchpauze naar de brug om uit te kijken over het Maas-Waalkanaal. Fietsers en voetgangers stoppen om door het dek heen de schepen door het water te zien snijden. Het is een brug die tegelijkertijd plein is: verkeers- en verblijfsruimte. Eronder ligt nog een verrassing: daar krult de aanlanding naar binnen, waardoor als het ware een tribune voor een openluchttheater ontstaat. Vanaf de snelweg is de brug herkenbaar als de verbindende schakel tussen het oude en het nieuwe Utrecht. Daarmee is UN-Studio er in geslaagd om een brug te bouwen die op alle schaalniveaus van de stad betekenis heeft: een bijdrage aan het ‘vieren’ van de stad.
Van een geheel andere orde is de Demkabrug. Deze geeft volgens Holland Rail Consult juist doelbewust uitdrukking aan de snelheid van het spoorwegnetwerk dat zich onttrekt aan elke relatie met de context. Inzet is om de brug als element in het internationale treinverkeer vorm te geven. De stevige boogvorm contrasteert met de naast gelegen oude, spoorbrug en preludeert op de toevoeging van nog een spoorbrug in de toekomst.
Zeven keer is de Rietveldprijs nu uitgereikt. Drie keer is de prijs gegaan naar een gebouw dat deel uitmaakt van de Universiteit Utrecht. Dat zegt zonder meer iets over de continue kwaliteit van de Universiteit als opdrachtgever, al jaren vertegenwoordigd door Aryan Sikkema. Deze weet bij elk afzonderlijk gebouw met een doordachte architectenkeuze steeds verder de collectie hoogwaardige architectuur uit te breiden. Maar De Uithof is meer dan een verzameling van gebouwen. De universiteit heeft, gesteund door de gemeente, vanaf het moment dat ze zelf de regie over de eigen bouwactiviteiten kreeg, gewerkt binnen de kaders van het oorspronkelijk door OMA/Art Zaaijer ontwikkelde stedenbouwkundige plan. Dat geeft, naarmate er meer gebouwen bij komen, samenhang aan de collectie en verbindt het gebied met het omringende stadslandschap.
De door Wiel Arets Architect & Associates ontworpen universiteitsbibliotheek (annex parkeergarage) vormt letterlijk en figuurlijk een hoeksteen bij de verdichting van het centrumgebied. Op het eerste gezicht is het een naar binnen gekeerd, gesloten rechthoekig volume met een zwijgzame, introverte presentie. De helder transparante glasgevels die – overigens vaak ten onrechte - de expressie zijn van een open, publiek gebouw ontbreken. Alleen voor ingewijden is in de terughoudende gevels de opbouw van het interieur, met de nadrukkelijk aanwezige boekendepots, zichtbaar. De entree is nauwelijks gearticuleerd op straatniveau. Toch is de jury unaniem van mening dat dit gebouw de Rietveldprijs verdient. Juist omdat het gebouw aantoont dat architectuur ook een autonoom domein heeft. De jury ziet dit publieke gebouw, dat zeven dagen in de week toegankelijk is, als een ode aan de architectuur en aan de wetenschap.
Bij binnenkomst opent zich een opeenvolging van ruimtes, bereikbaar via een reeks van trappartijen. Ze vormen als het ware het voorportaal van de weidse perspectieven die het vergroten van kennis kan bieden. In de ruimte hangen de zwarte boekendepots, als schatkamers die om verder onderzoek vragen. Deze zwevende depots werken mee aan het vorm geven van de intelligente aaneenschakeling van ruimtes. Nergens zijn de boeken ver weg en een gedeelte is beschikbaar in de vrij toegankelijke boekenkasten. Alles is er op gericht om de beschikbare kennis tot zich te nemen. Rust en concentratie heersen er in de vele studieruimtes. Ondanks de eenduidige kleur- en materiaaltoepassing is er geen sprake van monotonie. Steeds zijn de studieruimtes anders georiÎnteerd. Alleen de balies onderscheiden zich door het felle oranjerood en de zachte kunststof materialen.
De beperking die Arets zich opgelegd heeft in materiaal- en kleurkeuze gaan ver. Het organische motief dat verwerkt is in de betonnen depots, komt terug als patroon in de gezandstraalde glazen gevels. Door de begrenzing van de vlakken zo rustig mogelijk te houden, gaat alle aandacht naar de ruimtes daarbinnen. Opvallend is dat deze ruimtes, hoe verschillend ook van afmetingen, het gevoel geven exact juist gedimensioneerd te zijn. Nergens ontstaat het gevoel van overmatige of betekenisloze ruimte. Op niveau +1 sluit het gebouw aan op het stelsel van binnenstraten, dat oude en nieuwe gebouwen in De Uithof met elkaar verbindt.
Dit gebouw is geen letterlijke bijdrage aan het beperken van de verdere fragmentatie van de stedelijke regio. Toch is het binnen de recente Nederlandse architectuurproductie een van de krachtigste voorbeelden van een gebouw dat met succes weerstand biedt tegen de vervlakkende werking van globalisering. Het is een onmiskenbaar eigentijds, uniek en plekgebonden gebouw. Het is innovatief qua ruimtewerking en constructie. De bibliotheek is een praktisch voorbeeld van de wijze waarop kennisontwikkeling het inzicht in de werkelijkheid kan vergroten. Niet als doel op zich, maar als middel om de plaats van het individu ten opzichte van het grotere geheel te bepalen. Het is zonder meer in alle opzichten een heel mooi gebouw.
Esthetiek is volgens R¸diger Safranski onvoldoende krachtig om de hedendaagse werkelijkheid fundamenteel te veranderen. Toch onderschat hij niet het belang van de esthetiek en de kunsten. Safranski: “De ‘esthetische opvoeding van de mens’ was een defensief concept. Het wendde zich tot de paar enkelingen die meer willen dan werken, consumeren en functioneren; die de ‘mensheid’ in zichzelf willen ontwikkelen – allereerst op het proeftoneel van de kunsten en later misschien ook in de rest van het leven. Als defensief concept voor een klein aantal mensen is het nog altijd actueel. Van de kunst kun je leren hoe belangrijk inperkingen zijn en hoe belangrijk het is om grenzen te trekken. Het is de wil tot vorm die een streng afgebakende betekeniszone schept, die we vervolgens kunst noemen en van de rest van het dagelijks leven onderscheiden. Kunstwerken die deze naam verdienen zijn formeel gesloten en maken juist daarom de ervaring van een open weidsheid binnen een strikte begrenzing mogelijk. Ze vertonen volheid binnen de begrenzing en kunnen daarom een leerschool zijn voor een leven dat zijn tijd niet wil verdoen. …….”
Janny Rodermond