Bjarne Mastenbroek - voorzitter (architect SeARCH Amsterdam), Floris Alkemade (architect-stedenbouwkundige projectdirecteur bij OMA), Piet Hein van Eek (ntwerper) en Brigitte Slot - schrijvend jurylid (econoom).
De Stichting Rietveldprijs heeft het de jury van 2003 niet gemakkelijk gemaakt. De zesde editie telde van de Rietveldprijs telde een record aan projecten – meer dan zeventig in totaal – waarvan de diversiteit groter was dan ooit. Hoe vergelijk je een stedenbouwkundig plan met het interieur van een restaurant? Een busbaan met een rij eengezinswoningen? Een basketbalveld met een kantoor? Veel projecten bevonden zich in het gloednieuwe stadsdeel Leidsche Rijn, waar de Stichting Rietveldprijs de jury met zachte hand het grootste deel van de tijd heeft laten doorbrengen. Maar Utrecht is meer dan Leidsche Rijn.
De jury heeft het zichzelf ook niet gemakkelijk gemaakt. De juryvoorzitter was van mening dat een gevarieerde oogst vraagt om een jury met een brede samenstelling: een architect (Bjarne Mastenbroek, oprichter van het in Amsterdam gevestigde bureau SeARCH, tevens voorzitter van de jury), architect-stedenbouwkundige (Floris Alkemade, projectdirecteur bij OMA), ontwerper (Piet Hein Eek) en econoom (Brigitte Slot). Na twee dagen in Leidsche Rijn en 'de rest van Utrecht' te hebben doorgebracht en na bestudering van het door Manon van der Wiel en Bettina van Santen van de Stichting Rietveldprijs overvloedig aangedragen foto- en documentatiemateriaal, ontstond er binnen de jury betrekkelijk snel overeenstemming over de elf projecten die mochten meedingen naar de publieksprijs 2003. Ook over de selectie van de drie te nomineren projecten was de jury het unaniem eens. De winnaar van de Rietveldprijs 2003 is uiteindelijk na enige discussie met drie stemmen vóór gekozen. Hiermee was onze taak nog niet voltooid. Het doel van de Rietveldprijs is om het debat over de gebouwde omgeving in de stad Utrecht te bevorderen en om een objectief oordeel te vellen over de kwaliteit van de recente architectuur in relatie tot de openbare ruimte. De discussie binnen de jury ging dan ook niet zozeer over de zelfstandige kwaliteit van de architectuur, maar spitste zich toe op de relevantie van de architectuur ten opzichte van de stedelijke omgeving.
De derde moeilijkheid waarmee de jury worstelde was – laten we er maar niet omheen draaien – de middelmatige kwaliteit van de projecten zelf. De enorme hoeveelheid bouwprojecten die de afgelopen twee jaar in Utrecht zijn afgerond en de inzet die eruit sprak, waren ontegenzeggelijk indrukwekkend. Maar een hoge productie en veel inzet bieden nog geen garantie voor uitzonderlijke kwaliteit. Vaak is er geprobeerd om er iets bijzonders van te maken, maar viel op het resultaat van alles aan te merken. Soms lag dit aan de architect, meestal aan een gemis aan visie en durf van architect, ontwikkelaar en gemeente samen. Dit stemde mistroostig. Uit veel projecten sprak een gebrek aan ambitie om vanuit een programmatische noodzaak iets oorspronkelijks te ontwikkelen. Experimenten worden angstvallig gemeden, de richting bepaald door de grootste gemene deler. Creatieve ideeÎn lijken vooral gericht op het mooi maken van de dingen. Niet om tot een verrassende programmatische interpretatie te komen. Één van de juryleden merkte op dat, bij een gebrek aan een sturende visie, Het Creatieve Idee synoniem lijkt te zijn geworden aan kwaliteit. Op opleidingen, bij opdrachten en in wedstrijden is visuele originaliteit gaan prevaleren boven een fundamenteel onderzoek naar de inhoud van de vraag zelf.
Dit is de reden waarom een aantal meer spectaculaire ontwerpen niet in de prijzen is gevallen. Zo was het NMR-gebouw in de universiteitswijk de Uithof van UN Studio wat betreft de jury een typerend voorbeeld van een onnodig ingewikkeld architectonisch danspasje waarbij onvoldoende rekening is gehouden met de behoeften van de gebruikers. Storend was bijvoorbeeld de collegezaal die in een restruimte leek te zijn weggestopt. Mag de vorm zo dwingend zijn dat colleges moeten worden gegeven in een bedompt zaaltje van ondefinieerbaar formaat zonder daglicht? De gebruikers, in een welwillende stemming gebracht door de aandacht van de jury, zochten naar een positieve formulering toen ze op de man af werden gevraagd hoe het gebouw beviel: 'Het went wel'. Ook het kleinste huis in Utrecht van architectenbureau Sluijmer & Van Leeuwen is spectaculair, al was het alleen maar om het fenomenale uitzicht en de grote inventiviteit die aan de dag is gelegd om de luttele vierkante meters bouwoppervlakte maximaal te benutten. Hoewel de locatie dit niet leek toe te laten, is hier toch een compleet huis ontstaan. Maar ook in dit geval lijkt de behoefte om een architectonisch hoogstandjes te willen demonstreren, het dagelijks gebruik van de woning te hinderen. Commentaar van de kersverse bewoner: 'Het lukt wel'.
Bij de Rietveldprijzen van 1999 en 2001 waren de eerste glimpen van het gloednieuwe stadsdeel Leidsche Rijn al zichtbaar. Inmiddels is deze grootste en meest besproken Vinexwijk van Nederland volop in gebruik en kan de jury van de editie 2003 als eerste een indruk vormen van de vraag of dit boegbeeld van de Vinex-cultuur in Nederland aan de verwachtingen voldoet.
Nadat de jury deze wijk aan de hand van de geselecteerde projecten in detail bekeken had, kwam het besef bovendrijven dat het in deze context weinig relevant is om individuele projecten op hun architectonische kwaliteit te selecteren. Enerzijds omdat geen van de projecten er echt bovenuit stak, maar bovenal omdat de essentie van deze wijk ligt in de samenhang die de projecten weten te genereren. En juist dat is op dit moment niet goed te beoordelen, simpelweg omdat de wijk daarvoor nog te jong is. Saillant was dat toen de jury de wijk bezocht, een die dag georganiseerde openluchtmarkt voor tuinafscheidingen het enige teken van publiek leven was. Om tot een attractief en samenhangend stadsdeel uit te groeien, zullen in Leidsche Rijn nog wel een aantal fundamentele zaken moeten worden aangepakt.
Om met het belangrijkste pijnpunt te beginnen. Een stad bestaat bij de gratie van goede verbindingen met de omliggende centra. Dit geldt zeker voor Leidsche Rijn, wiens bewoners grotendeels elders in de regio Utrecht of in Nederland werken. Leidsche Rijn ligt ingeklemd tussen de A2 en de A12, maar is op dit moment op geen enkele manier logisch aan de bestaande infrastructuur vastgeknoopt. De toegang tot de snelwegen is abominabel en samenhang met de stad Utrecht is ver te zoeken. Tussen Utrecht en Leidsche Rijn ligt een enorme zone waar niets mee gebeurt: de strook langs het Amsterdam Rijnkanaal. Het openbaar vervoer naar de rest van Utrecht is slecht geregeld. De toegang tot de snelweg is verre van toereikend. Vooralsnog is Leidsche Rijn niet geslaagd in de goede bedoelingen om het autoverkeer te beperken en het openbaar vervoer te bevorderen. Ook het niveau van collectieve voorzieningen is op dit moment verre van toereikend.
De technische kwaliteit van de woningbouw is de laatste decennia enorm verbeterd. De woningbouw in Leidsche Rijn is hier een goed voorbeeld van. In visueel opzicht biedt Leidsche Rijn een staalkaart van de hedendaagse 'mainstream' architectuur: van traditioneel 'Nederlands' ogende woningen met ambachtelijk gemetselde gevelwanden tot neo-modernistische witte eengezinswoningen met plat dak en dubbelhoge woonkamer. Nergens opzienbarend, nergens ècht verrassend, grensverleggend of experimenteel en zeker niet controversieel. Leidsche Rijn gebruikt de inzichten uit de hedendaagse architectuur, maar brengt deze zelf niet verder.
Maar dit is niet de kern van de zaak. Het creëren van mooie en interessante architectuur is geen doel op zich maar een middel om een stadsdeel tot leven te wekken. De essentie van grootschalige projecten als Leidsche Rijn is dat ze in relatief korte tijd zijn ontwikkeld in antwoord op een enkelvoudig stedelijk probleem: een tekort aan geschikte woningen voor de welvarende middenklasse. De ruime opzet, de zorgvuldig aangebrachte stedenbouwkundige variatie, het bedrijvenpark – met daarin het door West 8 ontworpen volkstuinencomplex met knalrode omheiningen – kunnen deze monofunctionaliteit niet verhullen of verzachten. Het zorgvuldig uitgespaarde groen in Leidsche Rijn is te karig voor een dorp, de dichtheid te gering voor een stad en de diversiteit te geforceerd om een natuurlijke samenhang te generen. De repetitie van de eengezinswoning biedt weinig mogelijkheden tot veranderend gebruik. Daarmee kunnen er vraagtekens gezet worden bij de duurzaamheid van de huidige plannen.
Dat een wijk die niet in één keer goed is, niet verloren hoeft te zijn, toont de revival die veel verguisde Uithof op dit moment doormaakt. Mede dankzij een aantal geslaagde architectonische ingrepen is de voorheen wat doodse universiteitswijk gaandeweg de jaren negentig uit zijn slaap ontwaakt. De nieuwe architectonische bewerkingen hebben één belangrijk voordeel: ze borduren voort op een bestaande situatie en daarin schuilt hun kracht. Het ontwikkelen van een compleet nieuwe wijk, lijkt veel op een partij blindschaak waarbij zelfs van de meest essentiÎle stukken de eigenschappen maar gedeeltelijk bekend zijn. De kracht van de Uithof is dat het een dynamisch gebied is gebleven, waardoor ingrepen in de structuur probleemloos opgenomen kunnen worden. Door het verwijderen van overbodige, verouderde of storende onderdelen kan worden ingespeeld op de bestaande situatie waardoor hun impact en betekenis doeltreffender wordt. Het is dus ondenkbaar dat een grootschalige operatie als Leidsche Rijn in één keer geslaagd is. Wat er na de eerste opleveringen staat, moet worden gezien als een eerste aanzet die net als in de Uithof verdere bewerking nodig heeft.
Het ontwerp binnen Leidsche Rijn dat de jury het meest overtuigde was het Stedenbouwkundig plan Veldhuizen in de wijk Veldhuizen, van Atelier Quadrat, dat daarmee tot één van de genomineerden is uitgeroepen. Een project dat op bijzondere wijze het publieke leven in de Uithof stimuleert is de BaskerBar van NL Architects, de tweede genomineerde. Als derde project is het nieuwe onderkomen van Drukkerij PlantijnCasparie aan de Kanaalweg geselecteerd, een ontwerp van het Rotterdamse architectenbureau BAR. De belangrijkste gemene deler is dat elk van de drie projecten erin geslaagd is om op een betekenisvolle manier om te gaan met de opgave. Het zijn schoolvoorbeelden van architectuur die zich niet opdringt, niet krampachtig probeert origineel te zijn, en de gebruikerseisen respecteert. Architectuur waarbij niet zozeer de vorm verrast maar de overtuigende interpretatie van de opgave.
Atelier Quadrat tekende voor het stedenbouwkundig plan van de wijk Veldhuizen, een onderdeel van Leidsche Rijn dat grenst aan de gemeente De Meern. Veldhuizen omvat 2.500 woningen waarvan de laatste inclusief het winkelcentrum in 2003 worden opgeleverd. Binnen een eenvoudige rasterpatroon is Atelier Quadrat erin geslaagd om zowel wat betreft maatvoering als inrichting een zinvolle en rijke diversiteit aan te brengen. Er is veel aandacht besteed overgang tussen openbare ruimte en privÈ-terrein. De niveauverschillen in de wijk die veroorzaakt worden door de onderliggende stroomrug zijn aangegrepen om variatie in de buitenruimte te versterken. Veldhuizen grenst aan de A12 waarbij een brede langzaam oplopende geluidswal niet alleen het geluid van het autoverkeer buiten houdt, maar een mooie oplossing blijkt om de wijk visueel te vergroten. Atelier Quadrat was niet alleen verantwoordelijk voor het stedenbouwkundig plan en de inrichting van de buitenruimte maar had tevens de supervisie over de architectonische uitwerking. Op verzoek van de gemeente Vleuten de Meern zijn woningen in verschillende prijscategorieÎn met elkaar gemengd. De jury was het erover eens dat het stedenbouwkundig Plan Veldhuizen, door zijn terughoudende maar goed doordachte ingrepen, met respect voor het eeuwenoude cultuurlandschap, een stedenbouwkundige verademing in ideeÎnland genoemd kan worden. De jury had nog wel een opmerking: op sommige punten is de beoogde stedelijkheid en begrenzing van meer formele ruimten minder geslaagd omdat de aanliggende woningbouw simpelweg te kleinschalig is.
Het ontwerp van Joost Glissenaar en Klaas van der Molen van architectenbureau BAR, aan de Kanaalweg in Utrecht mag met recht een parel in een verder rafelig en verloederd stuk stad genoemd worden. Het nieuwe onderkomen van Drukkerij PlantijnCasparie is niet alleen een voorbeeld van uitgebalanceerde architectuur, maar tevens een levend bewijs dat een uitmuntend opdrachtgeverschap bestaat. Alleen al vanwege het lef om op deze 'vergeten' locatie niet het zoveelste nietszeggende bedrijfspand neer te willen zetten, verdient de opdrachtgever alle lof. Het gebouw zelf bestaat uit drie dozen die koud tegen elkaar aan zijn geplaatst en vanaf het Merwedekanaal naar achter steeds smaller en dieper worden. De zes meter hoge voorgevel bestaat uit een lange rij houten kolommen die worden afgewisseld met stroken glas. De kolommen dragen het dak, vormen de kozijnen van de glazen ramen en doen dienst als zonwering waarmee de naar het zuiden wegdraaiende zon buiten het gebouw wordt gehouden. De binnenwanden van het kantoorgedeelte zijn bekleed met een opvallend groen gekleurd beton multiplex, die het gebouw een levendige, warme en tijdloze uitstraling geven en dienst doen om het geluid te dempen. De totaalindruk is die van een functioneel, vriendelijk, transparant en uitgebalanceerd gebouw waarin BAR met inzet van relatief eenvoudige middelen het onderste uit de kan heeft weten te halen. De trots waarmee de directeur zelf de jury rondleidde, vormde een bevestiging dat we hier te maken hebben met architectuur waarin de gebruiker volledig tot zijn recht komt.
De derde genomineerde, de BasketBar op de Uithof, is een nieuw en opmerkelijk hoogtepunt in het vernieuwingsproces dat deze universiteitswijk doormaakt. De Uithof heeft zich de laatste jaren ontwikkeld tot een volwaardige universiteitscampus waaraan naast werken en studeren ook woonfuncties zijn toegevoegd. Hierdoor is de sociale functie van het universiteitsterrein veel belangrijker geworden en mede om die reden was er behoefte aan een uitbreiding van de horecagelegenheid. De BasketBar grenst aan de westzijde aan het 21 verdiepingen tellende Van Unnikgebouw, een typisch product van de jaren zestig dat hoog boven het universiteitsterrein uittorent. NL architects was gevraagd om een uitbreiding te realiseren voor boekhandel Broese die al jaren op de begane grond van het Van Unnikgebouw gevestigd is en een sociale ontmoetingsplaats – een grand café of bruin café – voor het gebied te verwezenlijken.
De oplossing waarvoor NL Architects heeft gekozen is om de bestaande luifel tot ver voorbij de toegestane rooilijnen te verlengen en hierin zowel de boekhandel als het nieuwe café onder te brengen. Omdat de plafondhoogte voor een grand café onvoldoende was, is het cafégedeelte verdiept. Zo werd een hoge en lichte ruimte gecreÎerd. Om het café toegankelijk te maken voor rolstoelgebruikers is aan de buitenkant een verdiept fel oranjekleurig amfitheater aangelegd dat tevens dienst doet als zitplek en skatebaan – waarmee NL architects aan het ontwerp op intelligente wijze twee extra functies heeft toegevoegd. Voor het 'oversized' dak dat vrijkwam met de verlening van de luifel, bedachten ze nog een functie: een basketbalveld. Deze vondst blijkt zowel overdag als 's avonds een doorslaand succes. De middenstip is van verhard glas waardoor het café en het basketbalveld visueel met elkaar worden verbonden.
Door goed na te denken over het functioneren van het gebouw is NL architects erin geslaagd om aan een relatief simpele opgave een heel scala aan functies toe te voegen. Hierdoor is een gebouw ontstaan dat ook het publieke leven in de omgeving een impuls heeft gegeven. Daarnaast klopt het gebouw zelf ook. De afwerking is van hoge kwaliteit en inventief in bijvoorbeeld de subtiele manier waarop de luchtafvoer in de holle kolommen van de kooi rondom het basketbalveld is weggewerkt. Door verrassende interpretatie van d eopgave , de impact van het gebouw op de omgeving en de perfecte uitwerking is de keuze voor Rietveldprijs 2003 gevallen op de BasketBar van NL Architects. Één minpunt: het gekunstelde interieur van de volstrekt misplaatste 'lichtbruine' kroeg – niet ontworpen door NL architects – staat in schril contrast met dit inventieve en vrolijke gebouw. Het verdient aanbeveling om NL architects alsnog het interieur onder handen te laten nemen.
Floris Alkemade | Piet Hein Eek | Bjarne Mastenbroek | Brigitte Slot