Beïnvloeding , vooringenomendheid, geïnformeerd zijn...

Jury rapport Rietveldprijs 2001

De jury

Felix Claus, Bert Dirrix, Roberto Meijer en Arthur Wortmann

Beïnvloeding , vooringenomendheid, geïnformeerd zijn...

...drie begrippen die wel eens door het hoofd hebben gespeeld van de juryleden van de Rietveldprijs 2001. Wat is een ideale jury van een architectuurprijs? Één die een magistrale kennis heeft van alles wat er op haar vakgebied gebeurt en nieuwe ontwikkelingen zonder blikken of blozen een plaats durft te geven, of één die zich kan laten verrassen en oordelen weet op te schorten? Vermoedelijk is een combinatie van beide kwaliteiten van belang, hetgeen niet alleen paradoxaal is, maar in dit geval – de toekenning van de architectuurprijs voor het beste Utrechtse gebouw van de afgelopen twee jaar – zelfs bemoeilijkt wordt door de omstandigheden. Want nog afgezien van het feit dat ‘magistrale kennis’ natuurlijk een relatief begrip is, werd de jury ditmaal geconfronteerd met twee uitzonderlijke projecten, met een reputatie die hen al vooruit was gesneld en zowel nationaal als internationaal beroering teweeg hadden gebracht.

Het eerste project betreft Leidsche Rijn. Terwijl de vorige jury twee jaar geleden nog slechts wat verspreide fragmentjes van dit stadsdeel in aanbouw kon bezichtigen, zijn inmiddels in de deelgebieden Langerak en Veldhuizen/Parkwijk enkele duizenden woningen verrezen die, theoretisch gezien, allemaal in aanmerking hadden kunnen komen voor de Rietveldprijs 2001. Leidsche Rijn is de grootste van de Vinex-wijken die door heel Nederland verrijzen, die de ruimtelijke organisatie van het land veranderen, die van grote invloed zijn op de verstedelijking van het land en op de stadscultuur, die bepalen hoe miljoenen Nederlanders zullen wonen en opgroeien. De Vinex-cultuur heeft inmiddels aanleiding gegeven tot verhitte debatten. De wijze waarop de planvorming tot stand is gekomen, inclusief kwesties als de grondtransacties en de prijsbepaling van de nieuwe woningen, heeft geleid tot discussies over het functioneren van – en zelfs corruptie binnen – de Nederlandse bouwpraktijk. De woonomgevingen die inmiddels zijn gerealiseerd hebben tot ver in het buitenland architectuurcritici verbaasd doen staan. De politiek is geschrokken van de enorme eenvormigheid die uit de Vinex-aanpak blijkt voort te komen en is hals-over-kop plannen gaan bedenken om deze ontwikkeling te keren.

De jury van de Rietveldprijs voelde zich tijdens haar bezoek aan Leidsche Rijn in het centrum van deze discussie geparachuteerd. Zij was zich ervan bewust dat met name het deelgebied Langerak een unieke positie inneemt binnen de Nederlandse Vinex-wijken: het is de Vinex-wijk met de laagste dichtheid en de meest nadrukkelijke integratie van elementen uit het bestaande landschap. In plaats van een volstrekt kunstmatige omgeving, met een compleet nieuwe ruimtelijke organisatie op voormalig landbouwgebied – zoals elders meestal het geval is – is hier her en der een toefje historie aanwezig: een oude boerderij, een bomengroep, een wandelpad. Hoewel dit de identiteit van de wijk verhoogt en het woongenot zonder twijfel ten goede komt, twijfelt de jury toch of hiermee niet tevens een probleem wordt vergroot. Want de aarzeling tussen de keuze voor landelijk of stedelijk gebied wordt er alleen maar groter op. De Nederlandse stedebouw heeft zich altijd aardig weten te wapenen tegen een vorm van suburbaniteit die de collectieve ruimte aanvreet. Leidsche Rijn is één van de treffendste voorbeelden die aangeeft dat dit gevecht verloren dreigt te gaan.

Het stedebouwkundig plan, de wijze waarop de grond in Leidsche Rijn is verkaveld en de ontsluitingstypologieën die door de diverse architecten zijn bedacht dragen bij aan een versnippering van de ruimte. In veel van de woningbouwprojecten wordt meer gepretendeerd dan waargemaakt. De suggestie wordt gewekt dat we van doen hebben met een luxueuze woonbuurt, maar zowel de grootte van de woningen zelf als de woningdichtheid van de wijk zijn daarmee niet in overeenstemming. De jury had dan ook het meeste waardering voor die projecten die het wonen het meest als een vanzelfsprekende opgave benaderen, die de suburbane conditie omarmen en die een zekere ruimtelijke ordening teweegbrengen door binnen de versnipperde ruimte duidelijk te maken wat voor en achter is, waar de openbare weg is, waar geparkeerd dient te worden. Het project dat wat dat betreft het meeste indruk maakte was dat van Maccreanor Lavington Architects in Langerak I. Dit project is met zijn wat grotere schaal en zijn traditionele overgangen tussen openbaar en privé een verademing. Het plan concentreert zich op enkele elementaire zaken: een heldere geometrie, een consequente materiaalkeuze, een duidelijke parkeeroplossing. Aansluiting met het landelijke verleden van de plek wordt gevonden in de karaktervolle en net niet karikaturale verschijningsvorm: de wijze waarop de woningen ‘bekleed’ zijn met dakpannen verwijst op niet onhumoristische wijze naar een inmiddels verdwenen landschap, beheerst door het beeld van boerderijen met hun typerende grote kappen.

Het tweede project dat al een flinke reputatie genoot voordat de jury zich ervan op de hoogte ging stellen was het nieuwe stadhuis, verbouwd en uitgebreid door de Spaanse architect Enric Miralles en zijn partner Benedetta Tagliabue. De keuze van de gemeente voor deze architect – na een Europese aanbesteding in 1996 – was verrassend. We zijn in Nederland gewend dat bouwprojecten waarin bestaande architectonische monumenten een rol spelen met omzichtigheid worden benaderd. Ofwel er wordt keurig gerestaureerd, ofwel er wordt een zogenaamde ‘eigentijdse’ ingreep tegenover gesteld, die ‘respect’ getuigt voor het bestaande, maar zichzelf ook niet uitvlakt. Vaak leidt dit tot een confrontatie op materieel niveau: oude constructies in hout of steen worden aangevuld met goed herkenbare, nieuwe bouwdelen in beton, staal of glas. Een conceptuele vermenging van oud en nieuw is doorgaans niet aan de orde, of wordt overschaduwd door het materiële contrast. Met de keuze voor Miralles was duidelijk dat deze beproefde aanpak werd verlaten. Miralles is de man van de hybridisering; geschiedenis is voor hem een continuïteit; respect voor de chronologie van de bouwgeschiedenis of de authenticiteit van bepaalde structuren zijn hem vreemd, maar daar staat een gevoeligheid voor de werking van ruimte en materiaal tegenover. En bestaande ruimten en oude materialen spelen daarin een belangrijke rol. Met de keuze voor Miralles was de uitkomst van het bouwproces ongewis, moest men vertrouwen op de genialiteit van de architect. Voor een niet particuliere opdrachtgever was dat een riskante beslissing. De architectuurgemeenschap zag echter reikhalzend uit naar het resultaat.

Vandaar dat de jury van de Rietveldprijs op een zaterdag in mei het nieuwe stadhuis bezocht in een stemming waarin bewondering, verwondering, scepsis en angst sluimerend aanwezig waren en ieder wachtten op een teken om de overhand te nemen. Wat bleek? Binnengaan in het verbouwde stadhuis van Utrecht betekent om de oren geslagen worden met architectuur. Of liever: alleen al het benaderen van het verbouwde stadhuis betekent een architectonische belevenis. De radicaliteit van het ontwerp komt je al van verre tegemoet. Hier heeft een architect vrijheid gekregen en die vrijheid ook genomen. In ons pragmatisch-modernistisch architectuurklimaat is dat een moedige beslissing. Mocht de pretentie die uit deze artistiekerige aanpak spreekt niet worden waargemaakt dan is ondank ‘s werelds loon. Maar Miralles slaagde met vlag en wimpel. De uitgesproken architectuur is op een dermate informele wijze uitgewerkt dat pretentie omslaat in architectonisch plezier. De gewijzigde oriëntatie van het gebouw zorgt ervoor dat de ingang niet meer in een classicistische gevel zit, maar aan een publieksvriendelijk plein, waar zitbanken versmelten met de gevel van het stadhuis. In het interieur slaan het gebruik van simpele materialen en de prettig ambachtelijke verwerking ervan de juiste toon aan: de ongekende vormwil blijkt samen te gaan met een welhaast Hollandse nuchterheid. Het stadhuis heeft alles om een mijlpaal te worden in de geschiedenis van de Nederlandse architectuur. Het trekt de discussie open, ontregelt ons gebruikelijk referentiekader en betekent daarmee een verrijking van ons architectuurklimaat.

Met deze twee sleutelprojecten is het verhaal natuurlijk niet ten einde. Ze dringen zich op in een discussie over architectuur in Utrecht, maar op de achtergrond waren er natuurlijk vele andere die in aanmerking konden komen voor de Rietveldprijs. Na kennisname van tientallen beknopte projectdocumentaties en het bezoeken van een vijftiental bouwwerken, kon de jury nog vier projecten toevoegen aan de lijst met nominaties. De bekendste ervan is de verbouwing en uitbreiding van het Centraal Museum door de Vlaamse architecten Stéphane Beel en Lieven Achtergael. Onopvallend is dit plan natuurlijk niet. Het betreft een van de meest publieke culturele voorzieningen in de stad. Maar de ingrepen van de architecten kenmerken zich wel door bescheidenheid.

Voor kunstmusea doet zich de laatste decennia wereldwijd dezelfde opgave voor. De toegenomen waardering voor de artistieke productie uit het verleden, en de voortgaande ontwikkeling van de cultuurindustrie die het museumbezoek in de sfeer van de massarecreatie heeft getrokken, leidt overal tot uitbreidingen en modernisering. De uitdijende collecties vragen om extra ruimte, de grotere bezoekersstromen vragen om schaalvergroting, de opname van de kunst in de vermaaksindustrie vraagt om faciliteiten voor commerciële nevenactiviteiten. De wijze waarop Beel in het Centraal Museum op deze ontwikkelingen heeft gereageerd getuigt van een zekere weerbarstigheid. De aan het museum toegevoegde elementen bewerkstelligen de noodzakelijke modernisering, maar weigeren zichzelf op de voorgrond te plaatsen. Het nieuwe is dienstbaar gemaakt aan het oude. De afgewogen wijze van materialiseren brengt zowel in het oude als in het nieuwe deel een consistente museale ervaring tot stand. De primaire positie van de kunst is niet overgenomen door een architectuur van de kunstconsumptie. De architectonische beheersing die daarvoor nodig was is voorbeeldig te noemen.

De overige drie genomineerde projecten slaagden er waarlijk in de jury te verrassen. Op een bedrijventerrein langs de A2, in een strook die de noordelijke rand van Leidsche Rijn vormt, stuitte de jury op de rioolwaterzuiveringsinstallatie van de combinatie A+D+P Architecten/Bureau Alle Hosper. In deze zuiveringsinstallatie is het ambitieniveau van de opdrachtgever bovenal te waarderen. Helaas is het in Nederland nog geen algemeen gebruik om bij utilitaire opgaven van deze schaal de hulp in te roepen van gerenommeerde ontwerpers. Bureau Alle Hosper tekende voor een landschappelijk concept met als troeven veiligheid en zichtbaarheid. Door het complex, zeer toepasselijk, in het water te plaatsen verandert het van een omheind bedrijfsterrein in een eiland waar gewerkt wordt. En door een ruimtelijke compositie te maken van de verschillende onderdelen die een waterzuiveringsinstallatie vormen, wordt het complex van een vreemd industrieel element een begrijpelijk ding. Daaraan draagt ook architectenbureau A+D+P bij, dat de verschillende onderdelen met zorg uitwerkte. De keuze om de gebouwen te maken van beton en hout geeft het complex een permanent en duurzaam karakter, terwijl de wat ruig aandoende detaillering toch bij de industriële functie past.

Echt verscholen in de binnenstad is het woonhuis dat architect Robert van den Hout voor zichzelf ontwierp. Slechts enkele vierkante meters grondoppervlak had hij nodig gehad om aan de gracht een droomhuis te realiseren. De schaal is bescheiden, maar de plek is uniek en dat gegeven wordt maximaal uitgebuit. Het huis is niet veel meer dan een stapeling van vier kamers die worden verbonden door een spiltrap. De apotheose van het wonen ligt op de tweede verdieping, waar het volledig te openen Rietveldiaanse hoekraam de Oude Gracht de woning weet binnen te trekken. De grootste kracht van het plan ligt in het op het spoor komen van de locatie en in het doorzettingsvermogen om op deze moeizaam bereikbare plek met beperkte middelen een droom te verwezenlijken. Dit is een stedelijke versie van het zogenaamde ‘wilde wonen’. Het project toont tevens aan dat privé-initiatieven op stedebouwkundig gevoelige locaties ook het collectieve belang kunnen dienen. Het huis verstevigt de band tussen het wonen en de historische stad en is een verrijking voor de stedelijke cultuur.

Een nog grotere verrassing voor de jury was de studentenhuisvesting die Koen van Velsen realiseerde op de campus ter plaatse van de voormalige Kromhoutkazerne. Op de grens van de drukte van een verkeersweg en de contemplatieve sfeer van de campus verricht dit project een klein wonder: aan de ene kant vormt de studentenhuisvesting een geluidswal, aan de andere kant een modern-klassieke wand die, hoewel volledig verschillend in vormgeving, toch goed aansluit bij de statige architectuur van de voormalige kazernegebouwen op het campusterrein. Wat eerst een barriëre moet zijn geweest is nu een waardige grens. Deze ordenende wand begint als open colonnade en raakt geleidelijk gevuld met studentenwoningen. Het groeperen van studentenkamers rondom gemeenschappelijke ruimten creëert ritmiek in de wand. De interieurs herbergen een mooi contrast tussen de volledig op het campusterrein georiënteerde kamers en de gemeenschappelijke ruimten. Deze laatste laten merken dat ze onderdeel van de geluidswand zijn: hun wijkende wanden creëren spelonkachtige ruimten, verlicht van boven, alwaar een soort observatieplatvormen ontstaan vanwaar men over de voormalige snelweg kan uitkijken. De gevel aan de zijde van de verkeersweg is met zorg gearticuleerd, terwijl de gevel aan de campuszijde door het materiaalgebruik een aangename ruigheid heeft gekregen, die past bij zowel de informaliteit van de gebruikers als het robuuste van het voormalige kazerneterrein. Door de rand van het campusterrein te herkennen als potentiÎle bouwlocatie is het project een impuls voor het denken over mogelijkheden de stad verder te verdichten.

Hoewel de jury weinig moeite had met het samenstellen van deze short list van zes uitzonderlijk geslaagde projecten, stelde de uiteindelijke toewijzing van de prijs haar voor grote problemen. De zes nominaties voor de Rietveldprijs vormen een bonte verzameling appelen en peren. Een privé-woonhuis, een grootschalig woningbouwproject, een tot geluidswal geworden rij studentenkamers, een utilitaire installatie, een zich wegcijferende museumarchitectuur en een vormexplosie in het hart van de stad: welke kwaliteiten wegen het zwaarst? In een poging te zoeken naar een gezamenlijke noemer viel het de jury op dat in vijf van de zes projecten de omgang met de historie een grote rol speelt. In ons steeds dichter bebouwd rakende land lijkt de aard van het begrip ‘bouwproject’ te veranderen. De rol van bestaande structuren, aanwezige constructies, aanpalende gebouwen en terreinen wordt steeds groter. Opdrachtgevers en architecten zullen zich steeds meer gesteld zien voor opgaven in complexe stedelijke omgevingen, waar geschiedenissen en ambities verstrengeld raken. Mede vanwege de inspirerende bijdrage aan deze problematiek – die anderzijds onnavolgbaar is en daarom niet op een simplistische wijze als voorbeeld mag dienen – heeft de jury besloten de Rietveldprijs 2001 toe te kennen aan Enric Miralles en Benedetta Tagliabue voor hun uitbreiding en verbouwing van het Utrechtse stadhuis.

Felix Claus | Bert Dirrix | Roberto Meyer | Arthur Wortmann