Juliette Bekkering, Margreet Duinker, Michelle Provoost en Nathalie de Vries
Het is altijd beleefd – vooral tegenover degenen die niet in de prijzen zijn gevallen - wanneer een jury meldt hoeveel moeite zij had met het maken van haar keuze. Ook deze jury heeft het moeilijk gehad: dat is echter een luxeprobleem, veroorzaakt door de aantoonbaar grote hoeveelheid gebouwen in Utrecht boven de middelmaat. Terugkijkend naar de eerste Rietveldprijs, die in 1991 werd uitgereikt is het duidelijk dat er een geweldige toename in kwaliteit is van de gerealiseerde architectuur in Utrecht. Of er een oorzakelijk verband is tussen de Rietveldprijs en die gestegen kwaliteit laten we hier in het midden. Deze jury wist alleen dat uit een lijst van 35 gebouwen er 34 geëlimineerd dienden te worden.
Het bouwen in een historische binnenstad zoals die van Utrecht is een thema dat in Nederland veel aandacht heeft gekregen en dat ook een hoog niveau heeft bereikt. De prijswinnaar van de vorige Rietveldprijs, Koen van Velsens Universiteitsmuseum, getuigt daarvan. Ook dit jaar waren er een aantal ontwerpen die lieten zien dat invullingen in het centrum op een zeer behoedzame en intelligente manier ontworpen kunnen worden. Dat geldt zowel voor de openbare ruimte als voor woningbouwprojecten. Het plein dat West 8 ontwierp bij het Neude en de herinrichting van de Oude Gracht door Rein Geurtsen zijn daarvan de beste voorbeelden. Dat laatste project kreeg waardering voor de bijna onopvallende manier waarop op een heel vanzelfsprekend een straatprofiel was gevormd en de signatuur van de ontwerper vrijwel achterwege is gelaten, wat zeker als een moedige stap beschouwd moet worden in het door design en auteurschap geplaagde Nederlandse architectuurklimaat.
Ook het woningbouwproject aan de Mariaplaats van Bob van Reeth bezit grote kwaliteiten door zijn compacte herinterpretering van de traditionele woonvorm van het stedelijke hofje: de sobere baksteenarchitectuur, de geabstraheerde herenhuizen, de incorporatie van de archeologische vindplaats dragen bij aan een woonomgeving met een dichte stedelijke uitstraling. De straatjes en pleintjes die in het project zijn opgenomen zijn openbaar, maar bezitten tegelijk een geprivatiseerd karakter door de manier waarop de woningen aan de openbare ruimte zijn geschakeld. De slaapkamers en woonkamers waar je inkijkt wanneer je op een bankje plaatsneemt geven je het gevoel bij iemand op bezoek te zijn. Hoewel er geen hek rondom het project staat heeft Mariaplaats toch de sfeer van een gated community, maar dan een Nederlandse variant: geen hekken, geen dwang, geen bewakingscamera's, maar door de ingebouwde gene van het publiek toch met de sfeer van een afgesloten gemeenschap. De dichtheid veroorzaakte bovendien eerder claustrofobische gevoelens bij de jury dan de verplichte gezelligheid en intimiteit die het doel van deze architectuur lijkt te zijn.
Op het gebied van de woningbouw viel er veel te genieten in Utrecht. De drie blokjes van Frits van Dongen aan de Vecht zijn een prijzenswaardig initiatief om een versleten wijk met de hoogste ambitie aan te pakken en mooie, dure woningen te bouwen. Esthetiek gaat hier hand in hand met een pragmatische mentaliteit die comfortabele woningen gedrieen onderbrengt in een blok en door schuiven van de woningplattegronden variatie in het gevelbeeld aanbrengt en ook nog extra privacy voor de bewoners. De jury waardeerde deze woningen vooral omdat ze niet experimenteel zijn en niet buitengewoon opvallend, maar in alle opzichten goed, degelijk en doordacht.
Ook in andere naoorlogse wijken in Utrecht zijn dergelijke programmatisch bijzonder belangrijke invullingen gemaakt, zoals het enorme woningblok van SAS-architecten in de wijk Overvecht of het atriumgebouw voor bejaarden van Geurst en Schulze in de wijk Zuilen.
Wel een duidelijk experimentele uitstraling heeft het dubbele woonhuis van MVRDV aan de Koningslaan. Het is de laatste in een reeks van moderne villa's die samen een ingetogen architectuurtentoonstelling vormen. Het huis van MVRDV en Bjarne Mastenbroek springt er in zekere zin uit, vooral door de gevelbehandeling: de beplating die is gekozen als gevelmateriaal en waarmee een compositie is gemaakt van glazen en gesloten vakken. De gevel is als afsluitend vlak verdwenen en de wand tussen beide woningen is veranderd in een meanderende scheidslijn die de doorsnede voorop stelt in plaats van de gevel. De woningen bezitten een grote ruimtelijkheid, bijzondere doorzichten en bestaan uit een buitengewone puzzel van in elkaar schuivende volumes. Door creatief om te gaan met de regelgeving wisten de ontwerpers uit te stijgen boven de grootst gemene deler van het Bouwbesluit.
Minder enthousiast was de jury over de woningbouw die nu tot stand komt in het prestigieuze stadsdeel Leidse Rijn. Het lijkt erop dat de economisch-financiele marges hier zo smal zijn dat de architecten slechts marginale resultaten kunnen behalen. De veelal kleine en soms zelfs armoedige rijtjeshuizen leidden tot enige scepsis over de toekomstmogelijkheden in deze sector. Zelfs de poging van Cas Oosterhuis, die een kaarsrechte straat laat eindigen in de 'landmark' van een ... garage en die een variant op de aloude mansardekap maakt, maar dan met de vloeiende lijnen van een computerdesign, veranderde daaraan niets. Er lijkt maar weinig rek te zitten in de woningbouw.
Wellicht geldt hetzelfde voor met de studentenhuisvesting. Het opvallende en kolossale blok dat Rudy Uyttenhaak in de Uithof ontwierp werd van een afstand als een intrigerend bouwwerk ervaren, met een gigantische 'Arc' van studentenkamers boven een gemeenschappelijk plein. 2000 studenten zijn hier ondergebracht in blokken van 15 verdiepingen, een geweldige concentratie die de nodige levendigheid op de geisoleerde campus van de Uithof zou moeten betekenen. Over het welslagen van deze doelstelling kregen we echter de nodige twijfels bij een nadere beschouwing van het complex. De inrichting van de openbare verkeersruimtes en de afwerking en detaillering zijn in het beste geval sober te noemen, maar ogen ook vaak armoedig; het centrale plein is verhoogd, winderig en leeg, en de gemeenschappelijke voorzieningen zoals winkels of cafes zijn (vooralsnog) afwezig, waardoor de dynamiek van het studentenleven onzichtbaar is. Wat overblijft is een studentenburcht, een ghetto aan de rand van alles, een bijzonder harde omgeving.
Grote verrassingen zaten er voor de jury niet in. Wel een kleine: het kapelletje aan de Maliesingel door Kees Regtop werd ervaren als een verrassend kleinood, geland boven op een uitbouw van een eeuwoud pand; een mysterieus zinken object zonder afleesbare inhoud en zonder afleesbare leeftijd. Binnenin blijkt een simpele kapel gevestigd te zijn voor de Nicolaicommuniteit, een religieuze gemeenschap die hier gevestigd is. Een autonoom objectje dat wonderlijk goed past zowel bij de ornamentiek van de chique negentiende eeuwse gevelrij als bij de utilitaire werken van de spoorlijn direct erachter.
De vier gebouwen die voor de jury overbleven in 'de top vier' vertonen enkele opvallende overeenkomsten. Ze vertonen een grote mate van autonomie, in ieder geval in hun vormgeving die niet gericht is op aanpassing of inpassing of contextueel bouwen. Soms gaat die autonomie zelfs zo ver dat het gebouw geheel gesloten is en het interieur volkomen schuil gaat achter de huid. Een zeker mysterie over de functie van het gebouw gaat hiermee gepaard. Het zijn alle vier zintuiglijke gebouwen, die niet alleen een visuele en ruimtelijke component bezitten, maar ook de andere zintuigen aanspreken. Ze vertonen allevier een verbreding van de architectuur met name naar de wereld van het design. De vier gebouwen zijn: het Warmteoverdrachtstation van NL architecten, het Minnaertgebouw van Neutelings Riedijk, het Ronald McDonaldhuis van Bosch Haslett en het Educatorium van het Office for Metropolitan Architecture. Elk van deze gebouwen bezit uitzonderlijke kwaliteiten.
De WOS van NL architecten staat midden in het nog maagdelijke bouwterrein van de uitbreidingslocatie Leidse Rijn. De functie van het gebouw is niet openbaar: het interieur staat vol met machines en apparatuur en alleen het personeel heeft er iets te zoeken. Van deze bescheiden opgave, in elke willekeurige loods onder te brengen, wist NL een ontwerp te maken dat radicaal is omdat het zich beperkt tot de huid van het gebouw en die tot leven weet te brengen. Ze doen dat zelfs letterlijk: de ongenaakbare zwarte huid die de contouren van het gebouw omhult heeft aan alle vier zijden een behandeling ondergaan die het toegankelijk maakt voor verschillende vormen van leven en popcultuur. Aan één zijde is een basketbalnet opgehangen, aan een andere zijde zijn noppen gemaakt die het gebouw beklimbaar maken, aan een andere zijde zijn glazen noppen bevestigd die een uitvergrote vorm van braille zijn en een onbekend woord spellen en aan de vierde zijde is een groot gat geboord, dat het regenwater van het dak van de WOS langs de wanden laat stromen. Kleine gaatjes vormen de uitnodiging aan zwaluwen en vleermuizen om te nestelen. De jury had grote waardering voor de manier waarop dit gebouw, dat in eerste instantie eerder een meubelstuk dan een gebouw lijkt, op een poetische manier tot leven is gewekt.
De overige drie gebouwen bevinden zich in de Uithof, het terrein van de Universiteit van Utrecht. Het is opvallend welke moeite deze universiteit zich getroost om van het onherbergzame complex uit de jaren zestig een meer opwindende belevenis te maken. De eerste belangrijke bijdrage daaraan is het Minnaertgebouw van Neutelings Riedijk Architecten. Totaal onafhankelijk van het interieur is de gevel een ervaring op zich. Het donkerrode vlak met kronkelende 'wormen', steunden op de letters MINNAERT, typografisch fraai en constructief een vondst. De entree tot het gebouw is van een vergelijkbare verrassing: een onooglijk trappetje voert bij binnenkomst naar de eerste verdieping, waar de bezoeker plotseling in een enorme hal staat, als een onderaardse grot beheerst door het geluid, de vochtigheid en het aanzicht van water. Dit is de kern van het ontwerpconcept. Het regenwater, dat via een nieuw ontwikkeld systeem zorgt voor de koeling van het gehele systeem, stroomt hier binnen via het dak, wordt opgevangen in een vijver om van daaruit verspreid te worden. Het surrealistische karakter van deze ruimte wordt versterkt door het contrast van het 'grotkarakter' met de reeks van knalrode coupeetjes, die als een treinwagon langs de gevel zijn geplaatst. Ze vormen kleine plekjes van privacy en intimiteit in de hoge stenen ruimte. Hier zitten studenten te praten en te roken in dit gebouw, dat een verzameling van collegezalen en studiezalen voor de geografische studierichtingen is. Deze zaal is onbetwist het hoogtepunt van het gebouw en verschilt sterk van de overige ruimten. Toch was de jury ook onder de indruk van de manier waarop met name de collegezalen en de kantine zijn uitgewerkt. Zonder enige vorm van modieusiteit zijn dit stevig en prettig vormgegeven ruimtes, die tegelijk een associatie oproepen met de mystiek van sterrekunde en fysica, met het aura dat de ingewijden in de klassieke wetenschap aankleeft.
Onder de indruk was de jury ook van het Ronald McDonaldhuis van Bosch Haslett. Het staat tegenover het kinderziekenhuis in de Uithof en is bedoeld als tijdelijke huisvesting voor ouders wiens kinderen opgenomen zijn. Binnen deze keiharde context van ziekte en dood hebben de ontwerpers gekozen voor een zachtaardige vorm met dito kleuren die nog het meest associaties oproept met een vakantiehotel aan de Italiaanse meren uit de jaren vijftig. Het gebouw bestaat uit een stapeling van betonnen platen met daartussen de kamers die elk in een andere kleur en andere vorm als zelfstandige bouwlichaampjes voordoen. De wanden en de jalouzien voor de ramen zijn in dezelfde kleur uitgevoerd, waardoor de kamers zich daadwerkelijk -ook in het interieur - als een eenheid presenteren. Alle onderdelen, van de zachte kleuren, de amoebevormige volumes tot de details van de betonnen vloerplaten zijn op een verfijnde en precieze manier uitgewerkt. Misschien iets te zoet en zonder 'edge' vond de jury. Werkt de totale ontkenning van de rauwe werkelijkheid waarin de gasten van dit huis zich bevinden als een opluchting? In de 'woonkamer' met de meubels en de open haard van Jan de Bouvrie kon de jury zich ook het tegenovergestelde voorstellen.
Tenslotte de prijswinnaar, het Educatorium van het Office for Metropolitan Architecture. Over geen enkele gebouw heeft de jury zo gediscussieerd en zoveel kritiek geuit. Geen enkel gebouw riep tegelijk zoveel ergernis, boosheid en euforie op. Geen enkel gebouw riep zoveel onberedeneerbare bewondering op. Ongetwijfeld is de keuze van de jury een puur intuitieve keuze voor schoonheid geweest.
Natuurlijk is het knap hoe het Educatorium zich opent naar het omringende 'landschap' met de bijna volledig glazen wanden aan de entreezijde; natuurlijk is het belangrijk dat het gebouw zich verbindt aan de bestaande gebouwen uit de jaren zestig door gangen en loopbruggen; natuurlijk is het indrukwekkend hoe van de doorsnede een architectonisch statement wordt gemaakt door de totale reductie van bouwelementen aan de entreezijde. Toch is het in de allereerste plaats het interieur dat de jury betoverd heeft. Dat geldt in de eerste plaats voor de interne organisatie: het krachtige assenkruis dat het gebouw indeelt zorgt voor onwaarschijnlijke doorzichten van voor- naar achtergevel; de verkeersruimtes die alle onderdelen verbinden zijn veredeld tot wandelgangen en daarmee tot plekken voor studeren, praten of rondhangen; de luie trappen, hellingbanen en hallen leveren op elke plek een andere ruimtelijke ervaring op.
Hetzelfde geldt voor de collegezalen: zonder dat de vormgeving ervan overdreven luxueus of trendy is leveren vondsten in elke zaal een speciale ervaring. Dat geldt voor de wapening die uit het betonnen plafond is gezakt in de ene zaal, het schuivende plafond in de andere zaal, de ambachtelijke diaprojectiekamer die als een houten bootbodem uit de achterwand steekt en de glazen wand die de studenten het idee geeft hun tentamen midden in een weiland af te leggen.
Het materiaalgebruik is een ander element dat ons steeds weer voor verrassingen stelde. Rem Koolhaas heeft eens een uitspraak gedaan over het werk van Rietveld, wiens prijs hij nu ontvangt, waarbij hij het Rietveld-Schroderhuis beschreef als een 'gesublimeerd zigeunerwagentje', als een gebruik van verf in plaats van materie. In het Educatorium wordt op een extreme manier duidelijk wat hij daarmee bedoelde. Alle wanden in het Educatorium zijn gemaakt uit materiaal, steeds weer een verschillend materiaal: het meest indrukwekkend is natuurlijk de wand die geheel uit prachtig en luxueus oranje-geel marmer bestaat en die als in een absurde vergroting van een Mies van der Rohegebouw het Educatorium doorsnijdt. Maar hetzelfde effect wordt bereikt met een acoustische wand van geperforeerde underlayment, of een wand van golfplaten met isolatie erachter, materialen van een geheel andere prijsklasse.
Als het gezegde waar is dat 'God is in the details' dan bewijst het Educatorium dat God dood is: dat laten de rauwe details in de glaswand langs de grootste collegezaal duidelijk zien. En toch blijft de overheersende indruk bestaan van een bijna ouderwets idealistisch gebouw omdat de ruimte die aan studenten gegeven wordt zo mooi en anoniem tegelijk is, alsof het gebouw oproept tot een studentencultuur die allang niet meer bestaat, als een sublimatie van de Sorbonne in 1968.
Margreet Duinker | Juliette Bekkering | Michelle Provoost | Nathalie de Vries