Gerrit Rietveld
Een korte biografie
Rietveld, Gerrit Thomas (Utrecht 24 juni 1888- aldaar 26 juni 1964), Nederlands architect en meubelontwerper, leerde het vak van meubelmaker in de werkplaats van zijn vader (1899-1906).

Tussen 1906 en 1911 volgde hij cursussen in architectuurtekenen, bij o.a. P. Houtzagers in Utrecht. In 1911 opende hij een eigen meubelmakerij, terwijl hij in de avonden bij P.J.C. Klaarhamer een architectuurcursus volgde (1911-1915).
In deze jaren maakte hij kennis met Van 't Hoff, Van der Leck, Van Doesburg en andere latere leden van De Stijl, bij welke groep hij zich in 1919 aansloot; zijn meubelontwerpen uit deze jaren, in de karakteristieke primaire kleuren (rood, geel, blauw), zijn dan ook pure realisaties van de opvattingen van De Stijl.
Sinds 1919 als zelfstandig architect in Utrecht gevestigd, begon hij in 1921 samen te werken met de binnenhuisarchitecte Truus Schröder-Schräder. Schröderhuis te Utrecht (1924), een internationaal baanbrekend ontwerp, waarin hij zowel de ideeën van De Stijl met betrekking tot de begrippen functie, constructie, vorm en ruimte verwerkte, alsook die van het functionalisme, de logische voortzetting van De Stijl.
Vanaf 1923 werkte Rietveld soms samen met Theo van Doesburg en Cornelis van Eesteren. In 1928 was hij een van de oprichters van de CIAM.
Toen in 1931 De Stijl werd opgeheven, brak ook voor Rietveld een moeilijke periode aan. Zijn ontwerpen voor arbeiderswoningen werden nimmer uitgevoerd; de moderne architectuur dreigde overvleugeld te worden door een traditionalistische 'nationale stijl' en het duurde in feite tot 1955 eer Rietveld de reputatie die hij verdiende, herwon.
Zijn werk
Rietveld wordt vaak als een ‘spontaan genie’ gezien, dat op een dag een rood-blauwe stoel en een Rietveld-Schröderhuis kon creëren. Dit is een onderschatting van zijn denken en kunnen. Iedereen die zijn gehele werk overziet, moet tot de conclusie komen dat alle scheppingen organisch gegroeid zijn.
Rietveld, uit zijn lezing in het Centraal Museum in Utrecht :
"Om als overgang en als studie even geheel vrij van traditie te komen, pril en zuiver genoeg om de achtergrond en voedingsbodem te kunnen zijn voor het nieuwe leven, moesten heel wat idealen worden bezongen en hartgrondig weer worden afgeleerd. De Stijl en het Bauhaus hebben hieraan veel gedaan. De Stijl ging haast wetenschappelijk op zoek naar de elementen van het zien.
Wij probeerden nl. om de allereenvoudigste dingen te vinden, de ondeelbare gezichtsindrukken, wij ontleedden het witte licht in 3 kleuren, waarvoor ons oog gevoelig is, en wij vonden dat de indruk rood een ondeelbare indruk was en dus een zuiver primair en elementair gevoel. Met die gevoelens werkten wij".
Truus Schröder bleef bij Rietveld’s werk betrokken. Samen hebben zij een groot aantal studies gemaakt voor volkswoningbouw. Ze wilden goede woningen bouwen voor de massa, en omdat die maar weinig huur kon betalen, moesten het kleine woningen worden. Rietveld en Schröder probeerden die woningen zo in te delen dat ze toch een ruimtelijke indruk gaven. Daarvoor moest de ruimte om te zitten, te eten en te slapen zo groot mogelijk zijn.
Rietveld ging in zijn studies verder dan de indeling van de woningen. Hij onderzocht ook hoe de woningen samengevoegd konden worden tot blokken en hoe de blokken gegroepeerd konden worden. Daarmee begaf hij zich op het gebied van de stedebouw en op dat gebied ging hij op dezelfde manier te werk als in de meubelkunst en de architectuur. Zoals hij daar elementen tot ruimtebeelden samenvoegde, zo deed hij dat ook in de stedebouw.

